3. Wortelverbanden

Wiskunde icoon
Wiskunde
VMBO-KBA. Algebraïsche vaardigheden

Lineaire verbanden herkennen en weergeven op verschillende manieren

Stel je voor: je krijgt een vraag op het eindexamen wiskunde KB over een verband tussen twee dingen, zoals prijs en aantal uren. Hoe pak je dat aan? Het goede nieuws is dat lineaire verbanden altijd op drie manieren kunnen worden laten zien: met een woordformule, een tabel of een grafiek. Als je één vorm snapt, kun je de andere twee makkelijk zelf maken. Zo kun je bijvoorbeeld uit een tabel een formule halen, of uit een grafiek een tabel invullen. Dit is superhandig voor de toets, want zo zie je meteen hoe alles met elkaar samenhangt.

De woordformule van een lineair verband

Een lineaire woordformule herken je meteen aan de vaste opbouw: de ene variabele is gelijk aan de beginwaarde plus of min het constante verschil vermenigvuldigd met de andere variabele. Denk aan iets als 'prijs = beginwaarde + constante verschil × aantal uren'. Hier is de eerste variabele, de prijs, wat je uitrekent, en die hangt af van wat je invult bij de andere variabele, het aantal uren.

Wat betekent die beginwaarde nou precies? Dat is simpel de waarde die de uitkomstvariabele heeft als je bij de invoervariabele nul invult. Want als je nul neemt, valt het constante verschil × 0 weg, en houd je alleen de beginwaarde over. Dus bij nul uren is de prijs precies die beginwaarde. Het constante verschil vertelt je hoeveel de uitkomst verandert als de invoervariabele met één eenheid stijgt of daalt. In ons prijs-uurvoorbeeld gaat de prijs bijvoorbeeld met twee euro omhoog per extra uur, dat is dus het constante verschil van twee.

Een lineair verband in een tabel zetten

Neem nou ons voorbeeld van prijs en aantal uren. Om een tabel te maken, begin je met waarden voor de invoervariabele, zoals aantal uren van nul tot vijf. Daaronder vul je de bijbehorende prijzen in, en je kunt ook de verschillen tussen die prijzen noteren om het patroon te zien. Bij nul uren is de prijs drie euro. Bij één uur vijf euro, bij twee uur zeven euro, en zo door tot bij vijf uur dertien euro.

Hoe weet je dat dit lineair is? Kijk naar de verschillen: elke keer dat het aantal uren met één toeneemt, stijgt de prijs met precies twee euro. Die vaste stapgrootte is het teken van een lineair verband. Zo vind je het constante verschil: twee. En de beginwaarde? Dat is de prijs bij nul uren: drie. Nu kun je de formule invullen: prijs = 3 + 2 × aantal uren. Zo haal je uit een tabel zomaar een woordformule!

Lineair verband tekenen in een grafiek

Wil je het visueel maken? Dan teken je een grafiek. Begin met een assenstelsel: de horizontale as voor de invoervariabele (aantal uren, van nul tot vijf), en de verticale as voor de uitkomst (prijs, van nul tot dertien of zo). De beginwaarde vind je terug als snijpunt met de verticale as: bij nul uren en prijs drie zet je je eerste stip.

Omdat het lineair is, wordt het een rechte lijn. Van dat startpunt ga je per uur één stapje rechts en twee stapjes omhoog (het constante verschil). Dus bij één uur: prijs vijf, stip daar. Bij twee uur: prijs zeven, weer een stip. Verbind ze met een lijn, en je hebt je grafiek. Check met de tabel: het klopt perfect, want bij nul uren drie, bij één vijf, enzovoort. Zo zie je dat de helling van de lijn dat constante verschil van twee is.

Alles over lineaire verbanden op een rij

Kort samengevat: lineaire verbanden druk je uit met een formule zoals variabele = beginwaarde ± constante verschil × andere variabele, een tabel met vaste stapgroottes, of een grafiek met een rechte lijn. Herken ze door die kenmerken, en je kunt altijd van de ene vorm naar de andere overstappen. Oefen dit met voorbeelden zoals prijs en uren, en je bent klaar voor elke examenopgave over lineaire verbanden in wiskunde KB. Succes met oefenen!