2. Vulkanen en aardbevingen

Aardrijkskunde icoon
Aardrijkskunde
HAVOB. Aarde

Samenvatting aardrijkskunde HAVO: Vulkanen en aardbevingen

Ben je bezig met je voorbereiding voor het eindexamen aardrijkskunde of een toets over de aarde? Dit hoofdstuk over vulkanen en aardbevingen is superbelangrijk, want het hangt allemaal samen met hoe onze planeet beweegt. We duiken erin met heldere uitleg, zodat je de begrippen snapt en kunt toepassen op kaarten of vragen. Laten we beginnen bij de basis.

Hoe werkt een vulkaan precies?

Stel je voor: een vulkaan is als een drukke fabriek onder de grond die plotseling openbarst. Het is een opening in de aardkorst waardoor gesmolten gesteente, gassen en brokken naar buiten spuiten, vaak in de vorm van een berg. Ondergronds heet dat gesmolten gesteente magma, maar zodra het aan de oppervlakte komt, noemen we het lava. De manier waarop een vulkaan uitbarst, hangt af van het type magma en de druk erin. Er zijn twee hoofdvarianten: effusieve en explosieve erupties.

Bij een effusieve eruptie is de gasdruk laag en het magma dun en vloeibaar, zoals bij basalt. De lava stroomt rustig en traag naar buiten, zonder al te veel spektakel. Dat zie je vaak bij vulkanen waar de lava ver kan lopen voordat het stolde. Een explosieve eruptie is een heel ander verhaal: hoge gasdruk en taai, stroperig magma met veel graniet-achtige stoffen zorgen voor een knal. Hier schieten pyroclastische materialen de lucht in, zoals vulkanische as, stenen en grind. Dat zijn de fragmenten die neerkomen en de vulkaan opbouwen. Meestal mengen beide types tijdens een uitbarsting, dus het is niet óf het een, óf het ander.

Vulkanen ontstaan vooral langs tektonische plaatgrenzen, waar de platen botsen, uit elkaar schuiven of langs elkaar schuren. Maar soms midden op een plaat, dankzij een hotspot. Dat is een warme plek diep in de mantel waar magma omhoog borrelt, dwars door de korst heen. Bekende voorbeelden zijn Hawaï, de Canarische Eilanden en de Galapagos. Zulke hotspots bewegen niet mee met de platen, dus je krijgt er ketens van vulkanen.

De verschillende vormen van vulkanen

Er zijn vier belangrijke typen vulkanen die je moet kennen voor je examen. Ze verschillen in vorm door het soort eruptie en magma.

Eerst de spleetvulkaan. Die vormt zich bij divergente plaatgrenzen, waar platen uit elkaar bewegen. Door de scheur stroomt dunne lava makkelijk naar buiten via een lange spleet, een effusieve eruptie dus. Meestal onder water bij oceaanruggen, zoals de mid-oceanische rug. Op land vind je er maar één: in IJsland, waar de rug zo actief is dat het boven water uitsteekt. Het resultaat is een vlakke, brede heuvel.

Dan de schildvulkaan, vaak bij hotspots met superdunne, hete basaltlava. Die lava vloeit ver uit, koelt langzaam af en bouwt een brede, lage vorm op, net een schild. Hawaii's Mauna Loa is een klassieker, met hellingen die geleidelijk aflopen over tientallen kilometers.

De stratovulkaan is de bekendste en meest voorkomende, vooral in subductiezones bij convergente platen. Het magma is taai, bouwt druk op en explodeert dan met pyroclastisch materiaal. Daardoor stapelen lagen as, stenen en gestolde lava zich op tot een steile, kegelvormige berg. Cotopaxi in Ecuador laat dat perfect zien: hoog en gevaarlijk.

Tot slot de caldera: een reusachtige krater van een oude stratovulkaan die weer actief wordt. Die krater ontstaat door een mega-explosie: óf het dak van de magmakamer stort in door te weinig steun, óf het wordt weggeblazen. Soms vormt zich zelfs een meer erin. Nieuwe activiteit kan een vulkaan in de krater maken, zoals bij de Vesuvius, of de top eraf blazen, à la Mount Saint Helens. Een slapende vulkaan heeft tijdelijk geen activiteit maar nog wel magma eronder; een dode is voorgoed uit, bijvoorbeeld als de hotspot verschuift.

Aardbevingen: schokken onder de grond

Een aardbeving is een plotselinge trillende beweging van de aardkorst door vrijkomende energie. Die energie start op een dieptepunt, het hypocentrum, en plant zich uit als golven. Bovenaan, recht erboven op het oppervlak, ligt het epicentrum, daar voel je het het hardst.

Om de kracht te meten, gebruiken we de schaal van Richter. Die geeft de magnitude, gebaseerd op de trillingssterkte via een seismograaf. Het is logaritmisch: elke stap van 1 omhoog betekent tien keer meer energie. Een beving van 6 is dus tien keer krachtiger dan 5, en 7 honderd keer sterker dan 5. Van 0 tot 9, maar boven 8 is catastrofaal.

De schaal van Mercalli meet juist de intensiteit: wat voel en zie je? Van I (nauwelijks merkbaar) tot XII (totale verwoesting, scheuren in de grond). Het hangt af van afstand tot epicentrum, bodem en bebouwing, perfect voor vragen over gevolgen.

Aardbevingen komen vooral door platentektoniek. Platen haken vast door wrijving, spanning bouwt op en knapt dan. Meest heftig bij convergentie (subductie), ook bij transformatie (langs elkaar), milder bij divergentie. Het hypocentrum ligt vaak op plaatgrenzen.

Onder water wordt het een zeebeving, die tsunamis kan veroorzaken. Door de schok duwt de zeebodem water omhoog, wat een reeks hoge golven maakt. Bij de kust stapelt het op tot wel 30 meter hoog en spoelt alles weg. Denk aan de tsunami in de Indische Oceaan in 2004 met ruim 200.000 doden, een waarschuwing voor hoe gevaarlijk dat is.

Zo, nu snap je vulkanen en aardbevingen van a tot z. Oefen met kaarten van plaatgrenzen en voorbeelden, dan zit het examen wel snor. Succes met leren!