8. Klimaatgebieden (volgens Köppen)

Aardrijkskunde icoon
Aardrijkskunde
HAVOB. Aarde

Klimaatgebieden volgens Köppen

Stel je voor: de aarde is een enorme puzzel met allemaal verschillende klimaten, van snikheet en vochtig tot ijskoud en droog. Hoe hou je dat allemaal uit elkaar voor je aardrijkskunde-examen? Gelukkig heeft de Duitse klimatoloog Wladimir Köppen een slim systeem bedacht om klimaatgebieden wereldwijd in te delen. Zijn classificatie deelt de klimaten in vijf hoofdcategorieën in, gebaseerd op temperatuur en neerslag: A voor tropische regenklimaten, B voor droge aride klimaten, C voor gematigde zeeklimaten, D voor continentale landklimaten en E voor poolklimaten. Elke hoofdcategorie krijgt een hoofdletter, en daarachter komen kleine letters of extra hoofdletters voor de specifieke kenmerken, zoals het neerslagpatroon. Zo kun je snel zien wat een klimaat uniek maakt. Laten we ze stap voor stap doornemen, zodat je ze moeiteloos herkent op je toets.

A: Tropische regenklimaten

Tropische regenklimaten vallen onder groep A, waar de gemiddelde temperatuur van de koudste maand altijd boven de 18°C blijft, denk aan plekken rond de evenaar waar het nooit echt koud wordt. Binnen deze groep onderscheiden we drie varianten op basis van neerslag. Af beschrijft het tropisch regenwoudklimaat, met neerslag het hele jaar door, zonder echt droog seizoen. Am is het moessonklimaat, waarbij een duidelijk regenseizoen ontstaat door de verschuiving van de intertropische convergentiezone, of ITCZ. En dan heb je Aw en As, beide savanneklimaat: Aw met een droge winter en As met een droge zomer, maar altijd die tropische warmte als basis.

B: Droge aride klimaten

Groep B omvat de droge klimaten, waar neerslag zo schaars is dat er geen bomen kunnen groeien en rivieren vaak droog staan. De indeling hangt af van de hoeveelheid regen per jaar. BS staat voor steppeklimaat, met tussen de 200 en 300 millimeter neerslag, net genoeg voor graslanden maar niet voor bossen. BW is nog extremer: het woestijnklimaat met minder dan 200 millimeter per jaar, zoals in de Sahara, waar droogte het leven domineert.

C: Gematigde zeeklimaten

In groep C, de gematigde of maritieme klimaten, ligt de gemiddelde temperatuur van de koudste maand tussen de -3°C en 18°C, terwijl de warmste maand boven de 10°C uitkomt, typisch voor gebieden met invloed van de zee. De subtypen volgen weer het neerslagpatroon. Cf is het klassieke zeeklimaat met neerslag verspreid over het hele jaar, precies zoals we dat in Nederland kennen met zijn milde winters en zachte zomers. Cw verwijst naar het mediterraan klimaat met een droge winter, zoals rond de Middellandse Zee. En Cs is het chinaklimaat, met een droge zomer, vaak in Oost-Azië.

D: Continentale landklimaten

Groep D beschrijft de continentale of landklimaten, ver van de zee, waar de koudste maand onder de -3°C duikt maar de warmste maand toch boven de 10°C komt, grote temperatuurverschillen tussen seizoenen dus. De varianten draaien om neerslag: Df heeft regen het hele jaar door, Ds kent droge zomers en Dw droge winters. Dit zijn klimaten in het binnenland van grote continenten, met strenge winters en warme zomers.

E: Poolklimaten

Tot slot groep E, de pool- of polaire klimaten, waar zelfs de warmste maand niet warmer wordt dan 10°C, het is hier altijd fris tot koud. ET is het toendraklimaat, met de warmste maand tussen 0°C en 10°C, zoals in de toendra's waar het in de zomer net ontdooit. EF geldt voor het sneeuwklimaat, waarbij alle maanden onder 0°C blijven, puur ijs en sneeuw. En EH is het hooggebergteklimaat, ook altijd onder nul, maar specifiek op grote hoogte zoals in de Alpen of Himalaya.

Met dit Köppen-systeem kun je elk klimaat op de wereldkaart direct herkennen en uitleggen waarom een gebied vegetatie of problemen zoals droogte heeft. Oefen door een klimaatkaart te bekijken en de codes te koppelen aan temperaturen en neerslag: het zal je examenvragen een stuk makkelijker maken!