6. De wet van Buys Ballot (corioliseffect)

Aardrijkskunde icoon
Aardrijkskunde
HAVOB. Aarde

De wet van Buys Ballot en het corioliseffect

In de aardrijkskunde draait het bij het hoofdstuk over de aarde vaak om hoe warmte zich over ons planeetje verspreidt. Dat gebeurt vooral door atmosferische circulatie, waarbij warme lucht opstijgt en koude lucht daalt, net als bij convectie in een pan soep op het vuur. Samen met de oceanische circulatie zorgt dit ervoor dat de hitte van de evenaar een beetje gelijk verdeeld raakt over het hele aardoppervlak. Maar winden waaien niet zomaar recht van hot naar her; er komt een slimme regel bij kijken, de wet van Buys Ballot. Die heeft alles te maken met het corioliseffect door de draaiing van de aarde. Voor je havo-toets snap je dit beter als je het corioliseffect snapt, ook al staat het niet letterlijk op de examenlijst. Laten we het stap voor stap uitpluizen, zodat je het zelf kunt toepassen op kaarten met drukgebieden.

Wat zegt de wet van Buys Ballot?

Stel je voor: je staat met je rug naar de wind, lekker met de wind in je zeilen. Volgens de wet van Buys Ballot weet je dan meteen waar de drukgebieden liggen. Op het noordelijk halfrond heb je aan je linkerkant een lagedrukgebied, denk aan een plek met lage luchtdruk op zeeniveau, vaak met bewolking, regen en fris weer, en aan je rechterkant een hogedrukgebied, waar de druk juist hoog is en het vaak zonnig en droog blijft, zoals in een anticycloon. Draai je naar het zuidelijk halfrond, dan is het precies andersom: rechts een lagedrukgebied en links een hogedrukgebied. Deze wet uit de meteorologie helpt je om in één oogopslag te zien hoe winden zich gedragen door de draaiing van de aarde. Het klinkt simpel, maar het voorkomt dat je vastloopt bij examenvragen over windrichtingen rond drukgebieden.

Het corioliseffect uitgelegd

Om te snappen waarom die wind niet rechtdoor blaast, duiken we in de globale drukverdeling. Rond de evenaar ligt de ITCZ, de intertropische convergentiezone, een denkbeeldige band waar warme, vochtige lucht massaal opstijgt en lagedruk vormt. Op zo'n 30 graden noord en zuid heb je hogedrukgebieden, en rond de 60 graden breedte weer lagedruk, terwijl de polen hogedruk hebben. Normaal zou lucht van hoog naar laag stromen: van de 30 graden hogedruk naar de ITCZ of 60 graden lagedruk, en van de polen naar 60 graden. Maar door het corioliseffect wijkt de wind af. Op het noordelijk halfrond draait ze naar rechts, op het zuidelijk naar links, altijd gezien in de rijrichting van de wind, alsof je met je rug ernaartoe staat.

Neem nou de wind van het Antarctische hogedrukgebied bij de zuidpool naar het lagedrukgebied op 60 graden zuid. Die waait noordwaarts, maar door de afwijking naar links, vanuit de wind gezien, buigt hij naar linksboven af. Op het noordelijk halfrond doet de wind van 30 graden noord (hoog) naar 60 graden noord (laag) precies het omgekeerde: ze wijkt naar rechts en spiralen zo de drukgebieden in. Probeer het eens op papier: teken de breedtecirkels met H voor hoog en L voor laag, en voeg pijlen toe die van hoog naar laag gaan maar met de juiste afwijking. Zo zie je meteen hoe het past bij de wet van Buys Ballot. Kijk naar een stroom op het noordelijk halfrond: met de wind mee heb je laag links en hoog rechts. Op het zuidelijk halfrond wissel je dat om, laag rechts, hoog links. Check het voor alle pijlen, en je hebt het principe in de vingers voor je examen.

Waarom wijkt de wind af? De oorzaak van het corioliseffect

Nu het spannende deel: waarom buigt die wind eigenlijk om? Het komt door de draaiing van de aarde om haar as, van west naar oost, rechtsom als je van bovenaf kijkt. Bij de evenaar leg je in één rotatie de grootste afstand af, dus beweeg je supersnel naar het oosten. Naarmate je naar de polen kruipt, wordt de cirkel kleiner, dus je draaisnelheid daalt. Op de noordpool sta je stil, op 60 graden noord draai je nog wel mee, maar langzamer dan bij de evenaar.

Stel, een luchtdeeltje waait van de evenaar (snel draaiend) naar een lagedrukgebied op 60 graden noord. Dat deeltje heeft zijn hoge oostwaartse snelheid nog bij zich, terwijl de grond eronder langzamer draait. Vanuit het perspectief op aarde lijkt het deeltje dan naar rechts af te wijken, het corioliseffect in actie, een schijnbare corioliskracht die de windrichting verandert. Op het zuidelijk halfrond werkt het spiegelbeeldig: afwijking naar links. Wind van een hogedrukgebied bij 30 graden zuid naar 60 graden zuid kan de lagere draaisnelheid daar niet bijbenen en wijkt linksaf. Zo ontstaat de typische spiraalvorm rond hogedruk- en lagedrukgebieden. Oefen dit met een simpel globe-experiment in je hoofd of op een plattegrond, en je bent klaar voor elke toetsvraag hierover. Succes met leren, dit scheelt je straks halve examenpunten!