6. Vreemd vermogen

Bedrijfseconomie icoon
Bedrijfseconomie
VWOC. Investeren en Financieren

Vreemd vermogen in bedrijfseconomie (VWO)

In bedrijfseconomie komt vreemd vermogen voor op de creditzijde van de balans en vormt het alle verplichtingen die een onderneming heeft naar buitenstaanders. Het helpt je begrijpen hoe bedrijven geld lenen om te groeien of dagelijkse zaken te financieren. Voor je examen onderscheid je twee soorten: kort vreemd vermogen met een looptijd van maximaal één jaar en lang vreemd vermogen met een looptijd van minstens één jaar. Zo kun je precies zien hoe een bedrijf zijn schulden spreidt en beheert.

Kort vreemd vermogen

Kort vreemd vermogen omvat schulden die snel moeten worden afgelost, binnen een jaar dus. Een typisch voorbeeld is het leverancierskrediet, dat je op de balans aantreft als crediteuren. Stel, je bedrijf koopt goederen van een leverancier maar betaalt de factuur niet meteen, misschien pas na dertig dagen. In die tussentijd heb je de spullen al in je voorraad, die op de debetzijde van de balans staat, terwijl de nog openstaande schuld als crediteuren op de creditzijde komt. Zo financiert je bedrijf tijdelijk zijn voorraad met geld van de leverancier. Crediteuren zijn dus de leveranciers aan wie je nog moet betalen.

Een ander belangrijk stukje kort vreemd vermogen is het rekening courant krediet. Dit is een flexibele lening van de bank waarbij je tot een bepaald maximum rood mag staan op je zakelijke rekening. Je kunt opnemen wanneer je wilt, bijvoorbeeld om extra voorraad in te slaan of debiteuren te financieren, en bijstorten zodra er geld binnenkomt. Debiteuren zijn het spiegelbeeld van crediteuren: het zijn je klanten die een factuur van jou hebben gekregen maar nog niet hebben betaald. Zij staan als vordering op de debetzijde van jouw balans.

Dan heb je nog het afnemerskrediet, waarbij jij als koper juist vooruitbetaalt aan je leverancier voor goederen of diensten die nog komen. Neem een verzekering: je stort in één keer voor het hele jaar, terwijl je de dekking pas later gebruikt. Zo leent de leverancier eigenlijk van jou. En vergeet niet de btw die je moet afdragen aan de Belastingdienst als je meer hebt ontvangen dan betaald. Tot de kwartaalaangifte houd je dat geld in kas, maar het is niet van jou, het is een kortlopende schuld en dus kort vreemd vermogen op de balans.

Lang vreemd vermogen

Lang vreemd vermogen betreft leningen die langer dan een jaar lopen en vaak gebruikt worden voor grote investeringen. Een klassieker is de hypothecaire lening, waarbij je een bedrijfspand of machine als onderpand geeft. De bank mag dat verkopen als je niet kunt betalen, dat heet het recht van hypotheek. Zo dekt de geldverstrekker zich in tegen risico.

Soms leen je niet van een bank, maar van familie of kennissen. Dat noemen we een onderhandse lening. De voorwaarden spreek je rechtstreeks af, vaak met een lagere rente dan bij de bank. Er kan een onderpand zijn, maar dat hoeft niet altijd.

Een speciaal type lang vreemd vermogen is de obligatielening. Bedrijven of overheden geven obligaties uit om bij veel investeerders geld op te halen. Jij koopt een obligatie en leent zo een klein stukje van de totale lening. Anders dan bij aandelen krijg je geen stemrecht, maar wel rente en aan het eind je inleg terug. Alle obligatiehouders hebben dezelfde vaste voorwaarden en looptijd. Obligaties duren vaak tussen de twee en tien jaar, met langere looptijden die gepaard gaan met een hogere couponrente, dat is het rentepercentage dat je jaarlijks krijgt. Bij een obligatie van duizend euro met vijf procent coupon ontvang je vijftig euro per jaar. Aan het eind betaalt de uitgever de nominale waarde terug, de waarde die erop staat, wat obligaties vrij veilig maakt.

Obligaties zijn verhandelbaar op de kapitaalmarkt, dus je kunt ze doorverkopen voor de looptijd eindigt. De prijs hangt af van de nominale waarde, de beurskoers en de emissiekoers, net als bij aandelen.

Obligaties uitgelegd: emissiekoers, agio en disagio

Wanneer een obligatie voor het eerst op de markt komt, heet de verkoopprijs de emissiekoers. Staat die gelijk aan de nominale waarde, dan is het a pari, honderd procent. Maar vaak wijkt die af door de marktrente, de rente die op dat moment geldt op de markt.

Is de emissiekoers lager dan honderd procent, dus onder pari, dan is de couponrente lager dan de marktrente. Beleggers eisen een korting om te kopen, want elders krijgen ze beter rendement. Het verschil tussen nominale waarde en emissiekoers heet dan disagio. Dat activeert een balanspost: obligaties worden goedkoper uitgegeven, en de onderneming boekt het verschil als passiva.

Omgekeerd, bij een emissiekoers boven de nominale waarde, boven pari, is de couponrente aantrekkelijker dan de marktrente. Beleggers betalen meer, en het verschil is agio, een balanspost omdat de lening duurder is binnengehaald.

Na uitgifte verandert de prijs nog via de beurskoers, de prijs tussen beleggers. Die hangt af van marktrente en kredietwaardigheid van de uitgever. Dalende marktrente duwt de koers omhoog, stijgende markrente omlaag. Minder kredietwaardig? Dan daalt de prijs ook. De beurskoers druk je uit in procenten van de nominale waarde: honderd procent is weer a pari, onder de honderd onder pari, erboven boven pari.

Agio en disagio berekenen

Bereken agio of disagio als het verschil tussen emissiekoers (of beurskoers) en nominale waarde. Neem een obligatie met nominale waarde van duizend euro. Emissiekoers 105 procent? Dan is agio vijf procent van duizend, dus vijftig euro. Emissiekoers 95 procent? Disagio vijf procent, dus vijftig euro korting. Voor het examen: onthoud dat hogere coupon dan marktrente leidt tot boven pari en agio, lagere coupon tot onder pari en disagio. Op de balans corrigeert agio/disagio de werkelijke opbrengst van de nominale schuld. Zo snap je perfect hoe vreemd vermogen de financiering van een bedrijf kleurt!