4. Netto Contante Waardemethode

Bedrijfseconomie icoon
Bedrijfseconomie
VWOC. Investeren en Financieren

Netto contante waardemethode in bedrijfseconomie

Bij het kiezen tussen verschillende investeringsprojecten komen twee populaire methodes vaak naar voren: de terugverdientijdmethode en de netto contante waardemethode. De terugverdientijdmethode richt zich alleen op het moment waarop de investering zichzelf heeft terugverdiend, maar negeert wat er daarna nog binnenkomt en houdt geen rekening met het feit dat geld in de toekomst minder waard is dan nu. De netto contante waardemethode pakt dat anders aan en geeft een veel completer beeld, wat het superhandig maakt voor examenopgaven op VWO-niveau.

Cashflow, ofwel kasstroom, gaat over de in- en uitstroom van liquide middelen binnen een bedrijf. Liquide middelen zijn simpelweg het geld dat direct beschikbaar is, zoals op de bankrekening. De netto cashflow bereken je door de inkomsten van een project af te trekken van de uitgaven in een bepaalde periode, en dat kan positief uitpakken als er meer binnenkomt dan eruit gaat, of negatief als het omgekeerde het geval is.

Hoe werkt de netto contante waarde precies?

De netto contante waarde, vaak afgekort als NCW, krijg je door de contante waarde van alle toekomstige kosten af te trekken van de contante waarde van alle toekomstige opbrengsten, inclusief een mogelijke restwaarde aan het eind. Op die manier kun je uitgaven en inkomsten die op verschillende momenten gebeuren eerlijk met elkaar vergelijken, allemaal omgerekend naar de waarde van vandaag. Het idee is dat een euro nu meer waard is dan een euro over vijf jaar, vanwege de tijdswaarde van geld.

De netto contante waardemethode uitgelegd

Deze methode helpt je om te bepalen of een investering genoeg rendement oplevert. Je neemt alle verwachte toekomstige kasstromen, rekent die terug naar hun huidige waarde met behulp van een disconteringsvoet, dat is het rekenrentepercentage, en trekt de initiële investering eraf. Zo zie je direct of het project meer oplevert dan het vereiste rendement, bijvoorbeeld de rente die je elders zou kunnen krijgen. Het is dé standaard voor investeringsbeslissingen omdat het de tijdswaarde van geld meeneemt: geld vandaag kan namelijk rendeerment maken door inflatie of rente, en die factor wordt bepaald door zaken als de ECB-rente.

Wat maakt deze methode zo sterk? Ten eerste vertaalt ze alle cashflows naar contante bedragen, zodat je appels met appels vergelijkt. Ten tweede is het resultaat superduidelijk: een positieve NCW betekent dat de investering loont, een negatieve dat je beter kunt afzien. Toch heeft het een praktisch nadeel. De disconteringsvoet, oftewel discontovoet, is niet altijd makkelijk vast te stellen en kan gedurende de looptijd veranderen. Een klein verschil, zoals 0,25% of 0,5% hoger of lager, kan bij miljoeneninvesteringen een wereld van verschil maken in de uiteindelijke NCW.

Voorbeeld: Bereken de NCW voor windmolens

Stel, een energiebedrijf wil 5 windmolens kopen voor €15 miljoen in jaar 0, en nog eens 5 een jaar later voor hetzelfde bedrag. De discontovoet staat op 4%, dus het bedrijf vraagt zich af of investeren slimmer is dan het geld uitlenen en 4% rente pakken. De opbrengsten komen in jaar 5 (€19,5 miljoen) en jaar 10 (€19,5 miljoen), en we slaan variabele kosten even over voor de eenvoud.

Zonder contant maken lijkt het een koopje: €39 miljoen opbrengst min €30 miljoen kosten equals €9 miljoen winst. Maar reken alles terug naar nu, en het plaatje verandert drastisch. Voor de kosten: de investering in jaar 0 is al €15 miljoen contant. Die in jaar 1 wordt €15 miljoen / (1,04)^1 = €14.423.077. Totaal contante kosten: €15.000.000 + €14.423.077 = €29.423.077.

Nu de opbrengsten: jaar 5 terug naar nu is €19.500.000 / (1,04)^5 = €16.027.579. Jaar 10 wordt €19.500.000 / (1,04)^10 = €13.173.501. Totaal contante opbrengsten: €16.027.579 + €13.173.501 = €29.201.080.

De NCW is dan €29.201.080 - €29.423.077 = -€221.997. Negatief dus! Beter het geld uitlenen en die 4% rente incasseren. Zo zie je hoe cruciaal contant maken is, perfect om te oefenen voor je toets, want dit soort berekeningen komen vaak terug. Oefen met je rekenmachine de formules (1 + r)^t, en je hebt het zo onder de knie.