2. Financiële kengetallen

Bedrijfseconomie icoon
Bedrijfseconomie
VWOF. Verslaggeving

Financiële kengetallen in bedrijfseconomie: alles voor je VWO-examen

Financiële kengetallen zijn superhandig om snel te zien hoe gezond een bedrijf financieel is. Ze laten verhoudingen zien tussen cijfers uit de winst- en verliesrekening en de balans, zodat je kunt checken of een onderneming haar schulden kan betalen, winst maakt en aantrekkelijk is voor beleggers. Voor je examen moet je deze ratio's blindelings kunnen berekenen en interpreteren, vaak aan de hand van een voorbeeldrekening. Laten we ze stap voor stap doornemen, met concrete voorbeelden die je meteen kunt narekenen.

Liquiditeitsratio's: kun je op korte termijn betalen?

Liquiditeit draait om de vraag of een bedrijf zijn direct opeisbare schulden, dus het kortlopende vreemd vermogen, kan betalen. Hierbij kijk je vooral naar cash en andere snel verkoopbare middelen. Twee belangrijke ratio's helpen je daarbij: de current ratio en de quick ratio. Beide geven aan of er genoeg geld in kas of op de bank staat om schulden af te lossen zonder problemen.

Current ratio berekenen en interpreteren

De current ratio, ook wel werkkapitaalratio genoemd, reken je uit door de vlottende activa te delen door de kortlopende schulden. Vlottende activa omvatten alles wat je snel kunt omzetten in geld, zoals liquide middelen, debiteuren en voorraden. Stel, een bedrijf heeft €40.700 aan vlottende activa en €8.200 aan kortlopende schulden. Dan is de current ratio 40.700 / 8.200 = 4,96. Dat betekent dat er bijna vijf keer zoveel middelen zijn als schulden, een teken van een gezonde korte-termijnpositie. Voor de meeste bedrijven is een ratio ruim boven de 1 prima, maar onder de 1 signaleert het gevaar omdat je dan niet genoeg hebt om alles direct te betalen.

Quick ratio: nog strenger getest

De quick ratio is strenger en sluit voorraden uit, omdat die niet altijd razendsnel verkoopbaar zijn zonder de zaak op te blazen. De formule is (vlottende activa min voorraad) / kortlopende schulden. In ons voorbeeld: (40.700 - 5.000) / 8.200 = 35.700 / 8.200 = 4,35. Nog steeds ruim boven de 1, dus het bedrijf zit veilig. Dit getal is cruciaal voor je examen, want het test of je snapt waarom voorraden riskant zijn op de allerkortste termijn.

Solvabiliteitsratio's: stevig op de lange termijn?

Solvabiliteit meet of een bedrijf zijn schulden op lange termijn kan dragen. Hierbij speelt het eigen vermogen (activa min vreemd vermogen) een grote rol, naast het vreemd vermogen (kort- plus langlopend) en het totaal vermogen (eigen plus vreemd). De standaardformule is eigen vermogen / totaal vermogen. Bij €52.500 eigen vermogen en €70.700 totaal vermogen kom je op 52.500 / 70.700 = 0,74, ofwel 74% eigen vermogen. Dat is sterk; financiers willen vaak minstens 25-30% om risico's te spreiden.

Je kunt variëren met de delers, vreemd vermogen / totaal vermogen geeft dan 0,26, en eigen / vreemd circa 2,85, maar het verhaal blijft hetzelfde: hoe hoger het eigen vermogen, hoe stabieler het bedrijf. Een lage solvabiliteit (onder 0,25) maakt leningen duurder en riskanter, omdat het faillissementsrisico stijgt. Bij faillissement krijgen schuldeisers dan weinig terug, want eigen vermogen fungeert als buffer.

Rentabiliteitsratio's: hoeveel winst op je investering?

Rentabiliteit toont hoe goed een bedrijf winst maakt ten opzichte van het geïnvesteerde vermogen. Het resultaat komt uit de winst- en verliesrekening (een stroomgrootheid over een periode, zoals een jaar), terwijl vermogen op de balans staat (een voorraadgrootheid, een momentopname). Om ze te vergelijken, neem je het gemiddelde vermogen: (begin + eind) / 2. Stel, eigen vermogen begint op €30.000 en eindigt op €52.500, dan is het gemiddelde €41.250. Vreemd vermogen gemiddeld €14.100, totaal €55.350.

REV, RTV en IVV: de kernratio's

De rentabiliteit eigen vermogen (REV) is EBIT (earnings before interest and taxes, winst vóór rente en belasting) / gemiddeld eigen vermogen. Dat geeft vaak een hoog rendement, zoals 128% in ons geval, ideaal voor jonge, succesvolle bedrijven maar top voor gevestigde namen rond 10%. De rentabiliteit totaal vermogen (RTV) doet hetzelfde met gemiddeld totaal vermogen en toont het overall rendement. Het interestpercentage vreemd vermogen (IVV) is interestkosten / gemiddeld vreemd vermogen, bijvoorbeeld 3,5%, laag en gunstig.

Per aandeel: resultaat en cashflow

Voor aandelenspelers reken je resultaat per aandeel: totaal resultaat / aantal aandelen. Bij €37.500 winst en 1.000 aandelen is dat €37,50 per stuk, een droomdividend op €100-aandelen. Cashflow per aandeel telt afschrijvingen op (want geen echte uitgave): resultaat + afschrijvingen / aandelen. Dat geeft een realistischer beeld van beschikbare cash.

Beleggerskengetallen: rendement voor aandeelhouders

Vanuit de belegger gezien meet het beleggersrendement wat je aandeel écht oplevert: dividendrendement + koersrendement. Dividendrendement is dividend / gemiddelde beurskoers. Koersrendement is (eindkoers - beginkoers) / gemiddelde beurskoers. Samen tonen ze het totale plaatje, perfect om te zien of een investering loont. Oefen deze voor je toets, want ze komen vaak samen met balanscijfers!