Hpq-stelling

Wiskunde icoon
Wiskunde
VWOStelling van Pythagoras

De hpq-stelling: een krachtige uitbreiding van Pythagoras

Stel je voor dat je een driehoek hebt die niet rechtsehoekig is, maar je wilt toch makkelijk lengtes of hoogtes berekenen zonder ingewikkelde formules als de cosinusregel. Hier komt de hpq-stelling om de hoek kijken, een slimme hulpmiddel dat perfect past bij de stelling van Pythagoras en vaak opduikt in vwo-examens wiskunde. Deze stelling helpt je om relaties tussen zijden en hoogtes te leggen in elke willekeurige driehoek, en het is een must-know voor je toetsen en het centraal examen. Laten we stap voor stap duiken in wat het precies inhoudt, hoe je het bewijst en hoe je het toepast, zodat je het moeiteloos kunt gebruiken bij lastige opgaven.

Wat is de hpq-stelling precies?

In een driehoek ABC teken je de hoogte vanaf hoek A naar de tegenoverliggende zijde BC. De voet van deze hoogte heet H, en BC deel je nu in twee stukken: BH = p en HC = q. De hele basis BC heeft dus lengte a = p + q, en de hoogte zelf is AH = h. De andere zijden zijn AB = c en AC = b, zoals we dat standaard noteren.

De hpq-stelling zegt dan:
b² · p + c² · q = a · (h² + p · q)

Klinkt misschien abstract, maar het is superpraktisch. Het generaliseert Pythagoras: in een rechthoekige driehoek bij C zou bijvoorbeeld q = 0 zijn (als H samenvalt met C), en dan reduceert het tot b² · p = a · h², wat met Pythagoras klopt omdat p = a en h = b sin A of zoiets. Maar het werkt voor élke driehoek, ook als H buiten het segment BC valt, zolang je p en q als gericht lengtes beschouwt, maar op vwo-niveau blijven we meestal bij de acute/obtuse gevallen binnen het segment.

Waarom is dit nuttig? Op examens krijg je vaak een driehoek met een gegeven hoogte of deling van de basis, en je moet een zijde vinden. Met hpq los je dat op zonder hoeken of extra hulplijnen, en het scheelt rekenwerk vergeleken met de wet van cosinus.

Het bewijs: terug naar Pythagoras

Het mooie van de hpq-stelling is dat het bewijs direct voortkomt uit de stelling van Pythagoras, toegepast op de twee kleine rechtsehoekige driehoeken ABH en ACH. In driehoek ABH geldt: c² = p² + h². In driehoek ACH: b² = q² + h².

Vermenigvuldig de eerste vergelijking met q: c² · q = p² · q + h² · q.
Vermenigvuldig de tweede met p: b² · p = q² · p + h² · p.

Tel ze nu op: b² · p + c² · q = p² · q + q² · p + h² · (p + q). Dat rechts wordt p q (p + q) + h² · a, want p² q + p q² = p q (p + q) = p q · a. Dus: b² p + c² q = a (h² + p q). Klaar!

Dit bewijs is kort en krachtig, en examenmakers houden ervan om je te vragen het zelf af te maken of te controleren. Oefen het een paar keer met pen en papier, en het zit erin.

Voorbeeld 1: een rechthoekige driehoek checken

Laten we het testen met een rechthoekige driehoek ABC, recht in C, met AC = 5, BC = 12 en AB = 13 (klassieke 5-13-12). De hoogte vanaf A naar BC: sinds het recht is in C, valt H samen met C, dus p = BC = 12 en q = 0. Hoogte h kun je berekenen als (5·12)/13 ≈ 4,615, maar precies h = (5·12)/13.

Plug in hpq: b=BC=12 (tegenover B? Wacht, notatie: a=BC=12? Nee, laten we goed zijn. Stel BC=a=13? Nee, standaard: rechthoekig in C, dan AB hypotenusa c=13, a=BC=12, b=AC=5.

Hoogte vanaf A naar BC: BC is zijde a tegenover A? Nee: zijde tegenover A is BC=a, maar rechthoekig in C, dus hoogte vanaf A naar hypotenusa AB? Ik mix op.

Beter voorbeeld: neem driehoek met zijden 3-4-5, recht in C. Dus AB=c=5 (hyp), AC=b=4, BC=a=3. Hoogte vanaf A? Nee, laten we hoogte vanaf C naar AB.

Om het simpel te houden: stel driehoek met basis BC=10, hoogte h=6 vanaf A, en p=4, q=6. Dan a=10. Stel b=7, c=8. Check hpq: links 7²·4 + 8²·6 = 49·4 + 64·6 = 196 + 384 = 580. Rechts 10(36 + 4·6)=10(36+24)=10·60=600. Wacht, past niet, ik verzin maar.

Maak een consistent voorbeeld. Stel p=3, q=4, h=5, a=7. Uit bewijs: neem in ABH: c=sqrt(3²+5²)=sqrt(9+25)=sqrt34. b=sqrt(4²+5²)=sqrt(16+25)=sqrt41.

Nu hpq: b² p + c² q = 41·3 + 34·4 = 123 + 136 = 259. Rechts a(h² + pq)=7(25 + 12)=7·37=259. Perfect, het klopt!

Dus in dit geval kun je bijvoorbeeld c berekenen als je de rest weet, zonder extra stappen.

Voorbeeld 2: een examenachtige opgave oplossen

Stel, in examen krijg je driehoek ABC met BC = 10 cm, hoogte AH = 8 cm vanaf A naar H op BC, met BH = 2 cm en dus HC = 8 cm. AB = 9 cm. Bereken AC.

Dus p=2, q=8, a=10, c=AB=9, h=8, vind b=AC.

Hpq: b² · 2 + 81 · 8 = 10 (64 + 16) = 10·80=800.
Dus 2 b² + 648 = 800 → 2 b² = 152 → b²=76 → b=2√19 ≈8,72 cm.

Zie je hoe snel dat gaat? Zonder dit zou je cosinusregel nodig hebben: cos B = (c² + a² - b²)/(2ca), maar met hpq direct. Zulke opgaven testen of je de stelling paraat hebt.

Toepassingen en varianten voor je examen

Op vwo-examens komt hpq vaak voor in meetkunde-opgaven waar een hoogte gegeven is en de basis verdeeld, of om te bewijzen dat een driehoek recht is (stel h² + pq = iets speciaals). Het linkt ook naar de middellijnstelling of Apollonius' stelling, maar hpq is de basis.

Een truc: als H de middellijn is, p=q=a/2, dan b² (a/2) + c² (a/2) = a (h² + (a/2)²), dus (b² + c²)/2 = h² + a²/4, wat leidt tot de formule voor de hoogte h = (2S)/a met oppervlakte S.

Oefen met variaties: wat als de driehoek stomp is en H buiten BC valt? Dan wordt een van p of q negatief, maar de formule houdt stand (p+q=a nog steeds). Examens specificeren dat meestal.

Nog een tip: combineer met oppervlakte. Omdat S = (1/2) a h, kun je h = 2S/a schrijven en hpq herformuleren, handig voor coördinaten of vectoren later in het hoofdstuk.

Samenvatting en examenadvies

De hpq-stelling is je geheime wapen voor driehoeken met hoogtelijnen: onthoud de formule b²p + c²q = a(h² + pq), bewijs het met twee Pythagoras-toepassingen, en pas het toe op sommen met gegeven delingen. Maak oefenopgaven waarbij je een missende lengte zoekt, of bewijs iets simpels. Zo scoor je zeker op het CE, want het is efficiënt en elegant. Probeer zelf een driehoek te tekenen met p=5, q=5, h=4, c=6, en vind b, je komt op b=sqrt( (a(h²+pq) - c² q)/p ) = etc., en check of het logisch is. Succes met wiskunde, je beheerst het nu!