14. Oefenopgave: gewicht aan een touw

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
VWOB. Beweging en wisselwerking

14. Oefenopgave: Gewicht aan een touw

Stel je voor dat je een zwaar blok aan een stevig touw hebt hangen, maar het touw hangt niet kaarsrecht naar beneden. In plaats daarvan maakt het een hoek met de verticale lijn, bijvoorbeeld omdat er een lichte zijwaartse trek op zit of omdat het blok een beetje wordt verplaatst. In deze oefenopgave uit hoofdstuk B over beweging en wisselwerking gaan we kijken hoe de krachten op dat blok werken, zodat het met een constante snelheid kan bewegen. Dat betekent dat de snelheid in grootte en richting niet verandert, een eenparige beweging dus, en de resulterende kracht precies nul is. Anders zou het blok versnellen of vertragen. Hier komt de parallellogram van krachten om de hoek kijken, in tegenstelling tot de rechthoekige constructie bij een slee op een helling. We duiken erin met vectoren, want krachten zijn vectorgrootheden: ze hebben niet alleen een grootte in newton, maar ook een richting en een aangrijpingspunt.

De situatie stap voor stap

Je hebt een blok met massa m, bijvoorbeeld 5 kg, dat aan een touw hangt. Het touw maakt een hoek θ van zeg 30 graden met de verticale. Het blok beweegt met constante snelheid, bijvoorbeeld langzaam omhoog of zijwaarts, zonder te accelereren. De twee belangrijkste krachten zijn de zwaartekracht Fz, die altijd verticaal omlaag werkt en gelijk is aan m keer g (waarbij g de gravitatieversnelling is, ongeveer 9,81 m/s² op aarde), en de spankracht T van het touw. Die spankracht houdt het touw strak gespannen en werkt langs de richting van het touw, dus schuin omhoog. Omdat het een vectorgrootheid is, kun je de zwaartekracht niet zomaar als een getal zien, je moet rekening houden met de richting. Voor eenparige beweging moeten deze twee krachten elkaar precies opheffen: hun vectoriële som is nul. Maar omdat het touw schuin hangt, liggen ze niet recht tegenover elkaar. Hoe los je dat op? Met een slimme krachtenconstructie.

De parallellogram van krachten: waarom geen rechthoek?

Bij de slee op de helling kon je de zwaartekracht makkelijk splitsen in twee loodrechte componenten, parallel en loodrecht op de helling, en dat gaf een nette rechthoekdriehoek. Hier is dat niet zo simpel, want de zwaartekracht is verticaal en de spankracht schuin, zonder dat ze precies 90 graden van elkaar afliggen in een handige as. Daarom gebruik je de parallellogram van krachten. Je begint met het tekenen van de zwaartekrachtvector Fz verticaal omlaag vanaf het aangrijpingspunt op het blok. Vanaf het uiteinde van die vector teken je de spankrachtvector T even lang en in dezelfde richting als het echte touw. Sluit dan het parallellogram door parallelle lijnen te trekken. De diagonaal van dat parallellogram geeft de resulterende kracht. Voor eenparige beweging moet die diagonaal nul zijn, wat betekent dat de start- en eindpunten samenvallen. In de praktijk komt dat neer op: de spankracht moet even groot zijn als de zwaartekracht, maar precies in de tegenovergestelde richting. Omdat het touw schuin is, decomponeer je de spankracht eigenlijk in een verticale en een horizontale component om te zien hoe het werkt.

Krachten decomponeren met componenten: praktisch en toetsbaar

De parallellogrammethode is mooi om te tekenen, maar voor berekeningen op je examen is de componentenmethode vaak sneller, en het geeft hetzelfde resultaat. Kies handige assen: verticaal en horizontaal. De zwaartekracht Fz = m · g werkt volledig verticaal omlaag, dus zijn horizontale component is nul. De spankracht T heeft een verticale component T · cosθ (omhoog, als θ de hoek met de verticale is) en een horizontale component T · sinθ (zijwaarts). Voor eenparige beweging moet de netto verticale kracht nul zijn: T · cosθ - Fz = 0, dus T = Fz / cosθ = (m · g) / cosθ. Horizontaal moet T · sinθ gelijk zijn aan een eventuele horizontale tegenkracht, zoals wrijving of een duw van een muur, anders zou het blok zijwaarts accelereren. Op je toets krijg je vaak de massa, de hoek en misschien de horizontale kracht, en dan vul je in. Neem ons voorbeeld: m = 5 kg, θ = 30°, g = 9,81 m/s². Dan Fz = 5 · 9,81 = 49,05 N. T = 49,05 / cos30° ≈ 49,05 / 0,866 ≈ 56,6 N. De horizontale component is dan 56,6 · sin30° ≈ 28,3 N, die gebalanceerd moet worden door iets anders.

Waarom is dit interessant en hoe oefen je het?

Dit soort opgaven lijken misschien abstract, maar ze komen vaak voor op je VWO-examen, bijvoorbeeld bij hijsen van lasten of hangende kabels in de bouw. Het leuke is dat je het zelf kunt uitproberen: pak een touwtje met een sleutelbos, laat het hangen en trek zijwaarts, voel hoe het touw strakker wordt. Om te oefenen: teken altijd de vectoren op schaal, maak het parallellogram en controleer of de diagonaal nul is. Reken dan met componenten voor de getallen. Vergeet niet dat snelheid constant is alleen als F_res = 0, en dat krachten newton zijn: 1 N is de kracht om 1 kg met 1 m/s² te versnellen. Als de snelheid nul is (rust), geldt hetzelfde, want rust is een speciale eenparige beweging.

Samenvatting: klaar voor je toets

Kort samengevat: bij een gewicht aan een touw met een hoek gebruik je het parallellogram om de vectoren zwaartekracht (Fz = m · g, verticaal omlaag) en spankracht (T langs het touw) op te tellen. Voor constante snelheid of rust is de resulterende kracht nul, dus de verticale component van T heft Fz op, en horizontale componenten balanceren elkaar. T = (m · g) / cosθ, waarbij θ de hoek met de verticale is. Oefen met tekenen en rekenen, en je snapt waarom het touw harder moet trekken dan je denkt. Zo bereid je je perfect voor op vergelijkbare examenopgaven!