Kleuren maken

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
VWOLicht

Kleuren maken met licht

Stel je voor dat je met een prisma een regenboog op de muur tovert: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Dat is het lichtspectrum, en het laat zien hoe wit zonlicht eigenlijk een mix is van allerlei kleuren. In de natuurkunde bij VWO duiken we in dit fascinerende onderwerp van kleuren maken, omdat het niet alleen uitlegt waarom de wereld zo kleurrijk is, maar ook hoe we dat nabootsen in technologie zoals je smartphonescherm. We kijken naar hoe lichtkleuren elkaar mengen, additief mengen heet dat, en waarom dat anders werkt dan bij verf of pigmenten. Dit is superbelangrijk voor je examen, want er komen vaak vragen over primaire kleuren, secundaire kleuren en hoe wit ontstaat uit mengen.

Het lichtspectrum: de basis van alle kleuren

Alles begint bij wit licht, zoals van de zon of een gloeilamp. Dat licht lijkt wit, maar bevat golflengtes van alle zichtbare kleuren. Als je een prisma gebruikt, buigen die golflengtes verschillend: rood licht buigt het minst, violet het meest. Zo splitst wit licht op in een spectrum. Elke kleur komt overeen met een specifieke golflengte, rood rond de 700 nanometer, violet rond de 400 nanometer. Op je examen moet je dit kunnen schetsen: een driehoekig prisma met binnenkomend wit licht dat uitgesplitst wordt in een regenboogband. Probeer het eens thuis met een cd en zonlicht; de reflectie geeft een mini-spectrum. Dit spectrum is de bouwsteen voor kleuren maken, want door kleuren te combineren, kun je elke tint nabouwen.

Primaire kleuren van licht: rood, groen en blauw

Niet alle kleuren kun je zomaar mengen om alles te maken; je hebt primaire kleuren nodig. Voor licht zijn dat rood, groen en blauw, vaak afgekort als RGB. Waarom juist deze? Omdat ons oog drie soorten kegeltjes heeft die gevoelig zijn voor rood, groen en blauw licht. Door deze drie te mengen in verschillende verhoudingen, kun je àlle kleuren maken die we zien. Neem een rood laserpointer, een groene en een blauwe: schijn ze samen op een witte muur en je krijgt magenta (rood+blauw), cyaan (groen+blauw), geel (rood+groen). Meng je ze gelijkmatig, dan krijg je wit! Dat is additief mengen: meer licht toevoegen maakt helderder en uiteindelijk wit. Op school kun je dit testen met gekleurde zaklampen en cellofaanfilters; het is een simpel experiment dat perfect is voor je natuurkundeportfolio.

Secundaire kleuren en hoe mengen werkt

De secundaire kleuren komen voort uit het mengen van twee primaire. Rood en groen geven geel, rood en blauw magenta, groen en blauw cyaan. Dit zijn de kleuren die je ziet op je computerscherm: pixels met rood, groen en blauw lichtje die razendsnel aan- en uitgaan om beelden te vormen. Denk aan een tv: als je heel dichtbij komt, zie je alleen RGB-puntjes, maar van een afstand mengt je oog ze tot een volledig beeld. Voor je examen: onthoud dat additief mengen optisch is, in je oog of op een scherm, en dat de som van RGB altijd wit oplevert. Een typische vraag is: "Welke kleuren licht moet je mengen voor wit?" Antwoord: gelijkmatige rood, groen en blauw.

Verschil met pigmenten: substractief mengen

Nu het belangrijke contrast: bij verf of drukinkt werkt het anders, substractief mengen. Daar begin je met wit papier en trek je kleuren weg door licht te absorberen. Primaire kleuren zijn dan cyaan, magenta en geel (CMY). Meng cyaan en magenta en je krijgt blauw, want ze absorberen rood licht samen. Alle drie samen absorberen ze bijna alles, dus zwart (in theorie; in praktijk is het donkerbruin, vandaar zwarte inkt erbij voor CMYK). Dit verschil snap je zo: lichtkleuren voegen toe, pigmenten halen weg. Een examenopgave zou kunnen zijn: "Waarom wordt mengen van alle kleurenverf zwart en van licht wit?" Oefen dat met waterverf: rood, geel en blauw mengen geeft modderbruin.

Toepassingen in het dagelijks leven en technologie

Kleurentelevisies en smartphones gebruiken RGB precies zoals we besproken hebben: miljoenen pixels mengen licht additief. Led-schermen doen hetzelfde, en daarom zien kleuren er anders uit op een lcd-monitor dan op papier. In de natuur zie je het bij vlinders of vogelsveren, die kleuren maken door interferentie van lichtgolven, maar dat is voor een ander hoofdstuk. Voor je toets: berekeningen over intensiteit komen soms voor, zoals als je de helderheid van gemengd licht optelt. Maak een som: als rood 100% is, groen 50% en blauw 0%, krijg je oranje-rood. Oefen met diagrammen van kleurenwheels voor licht en pigment.

Dit alles maakt kleuren maken tot een van de coolste delen van het licht-hoofdstuk. Begrijp je additief versus substractief, dan heb je de kern te pakken. Probeer de zaklamp-experimenten, teken spectra en oefen mengvragen, zo scoor je punten op je examen. Volgende keer duiken we dieper in breking en lenzen, maar dit legt de basis voor alles.