Holle & Bolle Spiegels

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
VWOLicht

Holle en bolle spiegels

Stel je voor dat je in een oude kermisspiegel kijkt: je gezicht lijkt ineens enorm uitgerekt of juist piepklein. Dat komt door de kromming van de spiegel, en precies dat principe zit achter holle en bolle spiegels in de natuurkunde. Voor jullie VWO-examen zijn deze spiegels superbelangrijk, want ze laten zien hoe lichtstralen zich gedragen bij reflectie op gebogen oppervlakken. We duiken erin met de basiswetten, de stralentechniek om beelden te bepalen, de formules en praktische voorbeelden. Zo snap je niet alleen de theorie, maar kun je ook snel een tekening maken tijdens je toets.

De spiegelingswet: de basis voor alles

Voordat we bij de kromming komen, moeten we de spiegelingswet goed begrijpen, want die geldt voor zowel platte als gebogen spiegels. De wet zegt simpelweg dat de invalshoek gelijk is aan de reflectiehoek, en dat de gereflecteerde straal, de invallende straal en de normaal (de lijn loodrecht op het spiegeloppervlak) in één vlak liggen. Bij een gebogen spiegel verandert de normaal op elk punt, wat leidt tot convergentie of divergentie van de stralen. Het brandpunt F is het punt waar parallelle stralen samenkomen (bij een holle spiegel) of waar ze lijken vandaan te komen (bij een bolle). De brandpuntsafstand f is de afstand van het spiegelvlak tot F, en die meet je langs de optische as, de lijn dwars door het midden van de spiegel.

Voor het examen onthoud: bij holle spiegels is f positief, bij bolle negatief. Dat tekenconventie is cruciaal voor de berekeningen.

De holle spiegel: stralen samenkomen

Een holle spiegel, ook wel concave spiegel genoemd, is naar binnen gekromd, alsof je met een lepel naar binnen kijkt. Parallelle stralen die erop vallen, komen ná de spiegel samen in het brandpunt F. Dit maakt de holle spiegel perfect voor het focussen van licht, zoals in een zaklamp of koplamp van een auto.

Om het beeld van een object te vinden, gebruiken we de stralentechniek met drie kenmerkende stralen. Eerst de straal die parallel aan de optische as invalt: die reflecteert door het brandpunt F. Dan de straal die door F zelf gaat: die reflecteert parallel aan de as. En de straal die naar het middelpunt C van de spiegel gaat: die reflecteert langs dezelfde lijn terug, want de normaal daar is langs de as. Waar deze drie stralen elkaar snijden, ligt het beeldpunt.

Afhankelijk van de positie van het object verandert het beeld. Staat het object voorbij het dubbele van de brandpuntsafstand (dus buiten 2f), dan vormt zich een reëel, onderstebovenstaand en verkleind beeld tussen f en 2f. Breng je het object tussen 2f en f, dan krijg je een reëel, onderstebovenstaand en vergroot beeld voorbij 2f. Tussen f en de spiegel? Dan een virtueel, rechtopstaand en vergroot beeld achter de spiegel. Heel praktisch: denk aan een scheer- of schminkspiegel, waar je je gezicht dichtbij brengt voor een groot, rechtopstaand beeld.

De spiegelformule maakt het kwantitatief: (\frac{1}{f} = \frac{1}{s} + \frac{1}{s'}), waarbij s de objectafstand is (altijd positief) en s' de beeldafstand (positief voor reëel, negatief voor virtueel). De vergrotingsfactor m = -(\frac{s'}{s}), negatief voor onderstebovenstaand. Oefen dit met een voorbeeld: stel f = 20 cm en s = 30 cm. Dan is (\frac{1}{s'} = \frac{1}{20} - \frac{1}{30} = \frac{1}{60}), dus s' = 60 cm (reëel, vergroot). Zo kun je examenopgaven razendsnel oplossen.

De bolle spiegel: stralen uiteenwaaieren

Een bolle spiegel, of convexe spiegel, buigt juist naar buiten, zoals de achterkant van een lepel. Parallelle stralen reflecteren en lijken ná reflectie uit het brandpunt F te komen, dat zich vóór de spiegel bevindt. Daardoor divergeert het licht: de stralen gaan uit elkaar.

De stralentechniek is vergelijkbaar, maar met een twist door het teken. De parallelle straal reflecteert alsof hij uit F komt. De straal naar C reflecteert terug langs zichzelf. En een straal richting F reflecteert parallel aan de as. Het beeld bij een bolle spiegel is altijd virtueel, rechtopstaand en verkleind, ongeacht waar het object staat. Het lijkt te zweven tussen de spiegel en f.

Formule hetzelfde: f is nu negatief, zeg f = -20 cm. Voor s = 30 cm: (\frac{1}{s'} = \frac{1}{-20} - \frac{1}{30} = -\frac{3}{60} - \frac{2}{60} = -\frac{5}{60} = -\frac{1}{12}), dus s' = -12 cm (virtueel, voor de spiegel). Vergroting m = -(\frac{-12}{30}) = +0,4, dus rechtopstaand en kleiner. In het echt zie je dit in de achteruitkijkspiegel van een auto: een breed gezichtsveld, maar alles lijkt dichterbij dan het is, vandaar het waarschuwingsbriefje 'Objects in mirror are closer than they appear'.

Toepassingen en examenvalkuilen

Holle spiegels vind je in telescopen, zoals de hoofdmirror van een Newton-telescoop die sterrenlicht focust, of in zonneverzamelers die zonlicht bundelen. Bolle spiegels zijn ideaal voor veiligheid, zoals in winkels of op parkeerplaatsen, omdat ze een groot overzicht geven zonder dode hoeken. Voor je examen: teken altijd de optische as, merk F en C aan, en gebruik pijlen voor stralen. Let op tekens in formules, een veelgemaakte fout is f positief nemen bij bolle spiegels. Oefen met grafieken van beeldpositie versus objectafstand: bij holle een hyperbool met asymptoten, bij bolle een asymptoot bij f.

Snap je dit, dan heb je de spiegels in de pocket. Probeer zelf een tekening te maken van een object op verschillende afstanden en reken een paar sommen na. Zo ga je vol vertrouwen je toets in!