2. Het rijk van de bacteriën

Biologie icoon
Biologie
VWOOrdening

Het rijk van de bacteriën

Stel je voor dat je door een microscoop kijkt en een wereld ziet vol met piepkleine, eencellige wezens die overal om ons heen leven: in de grond, in je darmen, zelfs in kokend heet water uit geisers. Dit zijn de bacteriën, en ze vormen een heel eigen rijk in de levende natuur. In de biologie ordenen we het leven in rijken, en het rijk van de bacteriën, ook wel Bacteria of Eubacteria genoemd, is een van de twee domeinen van prokaryoten. Prokaryoten zijn organismen zonder echte celkern, in tegenstelling tot de eukaryoten zoals planten, dieren en schimmels. Voor je VWO-examen is het cruciaal om te snappen waarom bacteriën zo bijzonder zijn: ze zijn overal, ze zijn superoud en ze spelen een sleutelrol in het leven op aarde. Laten we dit stap voor stap uitpluizen, zodat je het niet alleen begrijpt, maar ook kunt toepassen in toetsen.

Bacteriën zijn de meest succesvolle groep organismen op aarde. Ze waren er al miljarden jaren geleden, lang voordat er complexe organismen zoals wij bestonden. Fossielen van bacteriën gaan terug tot 3,5 miljard jaar geleden. Hun succes komt door hun eenvoudige bouw, snelle voortplanting en enorme aanpassingsvermogen. Ze leven in extreme omstandigheden, van de diepste oceaanbodems tot zoutmeren waar niets anders overleeft. Toch zijn niet alle bacteriën gevaarlijk; de meeste zijn juist nuttig of onschuldig. Denk aan de bacteriën in yoghurt die melk verzuren, of die in je darmen die helpen bij de spijsvertering. Voor het examen moet je de definitie paraat hebben: bacteriën zijn eencellige prokaryoten met een celwand van peptidoglycaan, en ze reproduceren aseksueel via binaire deling.

Kenmerken van bacteriën

Wat maakt een bacterie een bacterie? Allereerst hun grootte: ze zijn minuscuul, meestal tussen de 0,5 en 5 micrometer groot, dus je hebt een microscoop nodig om ze te zien. Ze hebben geen echte celkern; in plaats daarvan zit hun DNA los in het celplasma, in een gebied dat nucleoid heet. Dit DNA is meestal één groot, circulair chromosoom, soms aangevuld met kleine plasmiden, ringvormige stukjes DNA die genen voor antibioticaresistentie of andere eigenschappen dragen. Plasmiden zijn superbelangrijk voor evolutie, omdat ze makkelijk van bacterie naar bacterie kunnen overspringen.

Een opvallend kenmerk is de celwand, die de bacterie vorm en stevigheid geeft. Bij de meeste bacteriën bestaat die uit peptidoglycaan, een stevig netwerk van suikers en aminozuren. Dit onderscheidt ze van archaea, de andere prokaryoten, die geen peptidoglycaan hebben. Afhankelijk van de dikte van die wand onderscheiden we gram-positieve bacteriën (dikke wand, kleuren blauwpaars met Gram-kleuring) en gram-negatieve (dunne wand, kleuren rood). Dit is toetsvoer: gram-positieve hebben vaak een capsule erbovenop voor bescherming, terwijl gram-negatieve een extra lipopolysacharide-laag hebben die toxisch kan zijn.

Bacteriën hebben ook vaak flagellen, draadvormige structuren waarmee ze zwemmen, en pili voor hechting of geslachtelijke uitwisseling. Sommige vormen sporen, rustende stadia die extreme omstandigheden overleven, zoals hitte of droogte. Denk aan de sporevormende Clostridium-botulismebacterie, die botulisme veroorzaakt als je niet goed ingemaakte conserven eet.

De bouw van de bacteriecel

Duik dieper in de cel: in het midden vind je het cytoplasma met ribosomen voor eiwitsynthese, kleiner dan bij eukaryoten, maar even efficiënt. Er zijn vaak inklusies voor opslag van voedingsstoffen, en bij sommige bacteriën intracellulaire membraanvouwtjes voor energieproductie. Geen echt Golgi-apparaat of endoplasmatisch reticulum, want prokaryoten zijn simpeler. De plasmamembraan regelt transport en zit vol met eiwitten voor ademhaling of fotosynthese. Ja, sommige bacteriën doen fotosynthese, maar dan zonder zuurstofproductie, met bacteriochlorofyl.

De celvorm varieert: kokvormig (cocci, zoals Streptococcus), staafvormig (bacillen, zoals E. coli), spiraalvormig (spirilla) of komma-vormig (vibrio's). Ze leven vaak in kolonies, zoals kettingen of trossen, wat hun naam verklapt: diplo-, strepto- of stafylokokken. Voor het examen: teken een bacteriecel met labels zoals celwand, plasmamembraan, nucleoid, ribosomen en flagel, dat komt regelmatig terug.

Voortplanting en variatie

Bacteriën planten zich razendsnel voort via binaire deling: de cel verdubbelt en splitst in twee identieke dochters. Onder ideale omstandigheden elke 20 minuten, dus uit één bacterie heb je in een dag miljarden nakomelingen. Dit verklaart epidemieën, maar ook waarom antibiotica vaak niet volstaan, ze doden niet alles. Naast aseksuele deling is er horizontale genoverdracht: via conjugatie (pili-kanaal voor plasmide-overdracht), transformatie (opname van vrij DNA) of transductie (via virussen). Dit zorgt voor snelle evolutie en resistentie, een hot topic op examens.

Voedingswijzen en stofwisselingen

Bacteriën zijn voedingsflexibel: autotrofen maken zelf voedsel, heterotrofen halen het uit de omgeving. Onder autotrofen heb je chemolitho-autotrofen (energie uit anorganische stoffen zoals zwavel, zoals bij zwaveloxiderende bacteriën) en foto-autotrofen (lichtenergie, zoals cyanobacteriën die zuurstof produceren en verantwoordelijk zijn voor de zuurstofrijke atmosfeer). Heterotrofe bacteriën zijn saprofytisch (afval afbrekend), parasitisch (ziekteverwekkend) of symbiotisch (wederzijds voordelig, zoals Rhizobium in peulwortelknolletjes die stikstof binden).

Stofwisselingen variëren: aerobe ademhaling (zuurstof nodig), anaerobe (zonder zuurstof, zoals gistingsbacteriën) of fermentatie. Methaanproducerende bacteriën in moerassen zijn anaerobe methanogenen, maar wacht, die zijn archaea. Blijf bij bacteria: lactaatbacteriën in melk maken yoghurt zuur via melkzuurfermentatie.

Belangrijke groepen bacteriën

We onderscheiden groepen op basis van kleur, vorm en stofwisseling. Cyanobacteriën (blauwwieren) zijn fotosynthetiserend en vormen algen-achtige matten. Stikstoffixerende bacteriën zoals Azotobacter in de bodem maken N2 uit de lucht beschikbaar voor planten. Ziekteverwekkers: Salmonella (buikloop), Mycobacterium tuberculosis (tbc). Nuttig: Lactobacillus (yoghurt), Bifidobacterium (darmflora).

Ecologische en economische rol

Bacteriën zijn de recyclers van de natuur: ze breken dood materiaal af, zetten organisch afval om in mineralen en houden de nutrientencyclus draaiende. Zonder bacteriën zou de aarde bedekt zijn met dood spul. Ze produceren antibiotica (zoals penicilline uit schimmels, maar bacteriën maken ook stoffen), vitaminen en enzymen voor industrie. In de landbouw: bodembacteriën voor bemesting. Medisch: probiotica voor gezonde darmen. Maar ook risico's: antibioticaresistentie door overmatig gebruik.

Voor je examen: ken de verschillen met archaea (geen peptidoglycaan, extremofielen), virussen (niet levend) en eukaryoten. Oefenvragen: beschrijf binaire deling, geef voorbeelden van gram-positief/negatief, leg rol in N-cyclus uit. Met deze kennis rock je het hoofdstuk Ordening. Succes met leren, je kunt het!