8. Klimaatgebieden (volgens Köppen)

Aardrijkskunde icoon
Aardrijkskunde
VWOB. Aarde

Klimaatgebieden volgens Köppen, Aardrijkskunde VWO

Stel je voor: de aarde is een lappendeken van verschillende klimaten, van snikhete woestijnen tot ijskoude poolgebieden. Hoe orden je dat overzichtelijk voor je examen? Daar komt de klimaatclassificatie van Köppen om de hoek kijken. Deze Duitse klimatoloog deelde de wereld in vijf hoofdklimaattypen in, gebaseerd op temperatuur en neerslag. Elke hoofdcategorie krijgt een hoofdletter (A tot E), en daarachter volgen kleine letters voor subtypen met specifieke kenmerken zoals droogteseizoenen of neerslagpatronen. Zo kun je op een kaart direct zien welk klimaat ergens heerst, en snap je meteen waarom de vegetatie of het dagelijks leven daar zo anders is. Laten we ze stap voor stap doornemen, zodat je ze feilloos herkent op je toets.

A: Tropische regenklimaten

In tropische regenklimaten is het altijd warm: de gemiddelde temperatuur van de koudste maand blijft boven de 18°C. Dit zijn de plekken waar je het hele jaar door tropische hitte hebt, ideaal voor regenwouden of savannes. Binnen deze A-klimaattypen onderscheiden we drie varianten. Neem Af, het tropisch regenwoudklimaat: hier regent het jaarrond gelijkmatig, zonder echt droog seizoen, zoals in het Amazonegebied. Dan heb je Am, het moessonklimaat, waar een duidelijk regenseizoen valt door de verschuiving van de ITCZ, denk aan India, met maanden van hevige buien gevolgd door droogte. En Aw of As voor savanneklimaat: Aw heeft een droge winter, As een droge zomer, maar altijd die tropische basistemperatuur. Perfect om te onthouden: de kleine letter vertelt je over de neerslagverdeling.

B: Droge klimaten

Droge klimaten, of aride klimaten, springen eruit door extreme neerslagtekorten, te weinig voor bomen om goed te groeien, en rivieren drogen vaak op. De B-klasse kijkt puur naar de hoeveelheid regen per jaar, en verdeelt in twee subtypes met een hoofdletter. BS is het steppeklimaat, met 200 tot 300 mm neerslag: graslanden waar schapen prima gedijen, maar bossen niet. Nog droger is BW, het woestijnklimaat met minder dan 200 mm per jaar, denk aan de Sahara, waar zandduinen het landschap domineren. Het grote verschil zit in die neerslaggrens: steppen zijn net iets natter en groener dan pure woestijnen.

C: Maritieme of gematigde klimaten

Maritieme klimaten, ook wel zeeklimaten genoemd, voelen vertrouwd aan voor ons in Nederland. De koudste maand heeft een gemiddelde tussen -3°C en 18°C, en de warmste maand is warmer dan 10°C, milde winters en zomers zonder extremen, vaak door nabijgelegen oceanen. De subtypen gebruiken weer die bekende kleine letters. Cf is ons eigen zeeklimaat met neerslag het hele jaar door: geen droge periodes, altijd een grijs wolkendek mogelijk. Cw beschrijft het mediterrane klimaat met een droge winter, zoals rond de Middellandse Zee waar het in de zomer droog en zonnig is. En Cs, het chinaklimaat, heeft juist een droge zomer, ideaal voor rijstvelden met irrigatie in Oost-Azië. Herkenbaar patroon: f voor constant regen, w of s voor droog winter- of zomerseizoen.

D: Continentale of landklimaten

Ver weg van de zee word je beloond met extremere verschillen: continentale klimaten hebben een koudste maand onder de -3°C en een warmste boven de 10°C. Dit zijn de landklimaten met barre winters en hete zomers, zoals in Siberië. Ook hier komen de subletters f, s en w terug. Df valt het hele jaar neerslag, zonder droge seizoenen. Ds heeft droge zomers, en Dw droge winters, allemaal met die strenge vorst in de wintermaanden. Stel je voor: dezelfde neerslagcodes als bij C, maar veel kouder door het ontbreken van zeewind.

E: Polaire klimaten

Polaire klimaten zijn de koudste van allemaal: zelfs de warmste maand blijft onder de 10°C, dus eeuwige kou over 30-jaarsgemiddelden. Dit zijn de pool- of sneeuwgebieden, met drie subtypen op basis van een hoofdletter. ET is het toendraklimaat, waar de warmste maand tussen 0°C en 10°C ligt, kortstondig ontdooit de bovenlaag voor wat mos en korstmossen, zoals op de toendra. EF geldt voor sneeuwklimaten, met alle maanden onder nul graden: pure ijsvlakten op de polen. En EH, het hooggebergteklimaat, hetzelfde eeuwig vriesweer maar op grote hoogte, denk aan de toppen van de Alpen of Himalaya. Onthoud: E is extreem koud, en de subtypes scheiden toendra van permanent ijs.

Met dit Köppen-systeem heb je een waterdicht hulpmiddel voor kaarten en vragen over vegetatie, landbouw of klimaatverandering. Oefen met codes ontleden, zie je Af, dan weet je: tropisch, hele jaar regen. Zo scoor je punten op je VWO-examen!