6. Verhoudingen, rekenvolgorde en negatieve getallen

Wiskunde icoon
Wiskunde
VMBO-TLC. Rekenen, meten en schatten

Samenvatting wiskunde TL/GL: Rekenen met verhoudingen, rekenvolgorde en negatieve getallen

Goed nieuws voor je examenvoorbereiding: in dit hoofdstuk uit rekenen, meten en schatten leer je hoe je makkelijk omgaat met verhoudingen, de juiste rekenvolgorde aanhoudt en negatieve getallen berekent. Dit komt regelmatig voor in toetsen en het eindexamen wiskunde TL/GL, dus oefen deze vaardigheden goed. We beginnen met verhoudingen, want die zijn superhandig bij praktische problemen zoals inkopen voor een feestje.

Rekenen met verhoudingen

Stel je voor: je organiseert een feest en wilt precies genoeg cola inslaan. Je weet dat drie gasten samen één fles opdrinken, dus de verhouding tussen het aantal gasten en flessen cola is 3:1. Nu komen er 24 man langs, hoeveel flessen heb je dan nodig? Gebruik daarvoor een verhoudingstabel, een simpel hulpmiddel om verhoudingen te berekenen. Zet bovenaan de tabel 'aantal gasten' en 'aantal flessen cola'. In de eerste kolom vul je de bekende verhouding in: 3 gasten drinken 1 fles op. Voor 24 gasten zet je rechtsboven 24, en onderaan komt het onbekende aantal flessen met een vraagteken.

Om dat vraagteken te vullen, kijk je hoe je van 3 naar 24 komt door alleen te vermenigvuldigen of te delen. Drie keer 8 is 24, dus vermenigvuldig je de hele rij met 8. Onderin wordt 1 keer 8 gelijk aan 8 flessen. Zo zie je meteen dat je acht flessen cola moet halen. Verhoudingen werken altijd zo: houd de verhouding gelijk door dezelfde bewerking aan te passen aan beide kanten van de tabel. Oefen dit met je eigen voorbeelden, zoals recepten of reisafstanden, en het zit zo in je vingers voor de toets.

Rekenen met negatieve getallen

Een negatief getal is simpelweg een getal kleiner dan nul, herkenbaar aan het minteken ervoor, zoals -5. Dat krijg je bijvoorbeeld als je 14 min 19 doet: 14 - 19 = -5. Bij optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met positieve (+) en negatieve (-) getallen gelden vaste regels om het teken van het antwoord te bepalen. Positief met positief geeft positief, positief met negatief geeft negatief, negatief met positief geeft negatief, en negatief met negatief geeft positief.

Laten we dat toepassen op een paar sommen. Neem 3 + (-4): dat is positief plus negatief, dus negatief, en het wordt 3 - 4 = -1. Volgende: -3 - 4. Van een negatief getal nog iets aftrekken maakt het nog kleiner, dus -3 - 4 = -7. Nu -3 - (-4): twee minnen naast elkaar maken een plus, dus -3 + 4 = 1. Bij vermenigvuldigen, zoals 3 × (-4): positief keer negatief is negatief, dus je rekent 3 × 4 = 12 en zet er een min voor: -12. En voor delen: -12 ÷ 4 is negatief gedeeld door positief, dus negatief. Eerst 12 ÷ 4 = 3, dan een min ervoor: -3. Onthoud die tekenregels goed, want ze voorkomen fouten in langere sommen op het examen.

De rekenvolgorde: voorangsregels en ezelsbruggetje

Zonder regels zou iedereen een som anders uitrekenen, dus volg altijd de voorangsregels: eerst haakjes wegwerken, dan machten en wortels, daarna delen en vermenigvuldigen, en tot slot optellen en aftrekken. Een macht is een getal met zichzelf vermenigvuldigd, zoals 3² wat 3 × 3 = 9 betekent en schuin boven het grondgetal staat. Een wortel is het omgekeerde: √9 = 3, omdat 3 × 3 = 9.

Om dit te onthouden, gebruik dit ezelsbruggetje: 'Hoe makkelijk was de volgorde ook alweer?' De eerste letters staan voor haakjes, machten, wortels, delen, vermenigvuldigen, optellen en aftrekken. Zo heb je het altijd paraat. Laten we oefenen met voorbeelden. Bij 26 - 12 ÷ 6: eerst delen, want dat gaat voor aftrekken. 12 ÷ 6 = 2, dus 26 - 2 = 24.

Nog een: 5 + 3 + 4². Eerst de macht: 4² = 16, maar wacht, in dit geval was het eigenlijk 5 + (3 + 4)²? Nee, kijk naar 5 + 3 + 4²: geen haakjes, dus eerst macht 4² = 16, dan 5 + 3 + 16, van links naar rechts optellen: 8 + 16 = 24? Wacht, pas het aan aan origineel: origineel was 5 + 3 + 4 * 3²? Nee, het was 5 + 3 + 4 * 3²? Origineel: 5 + 3 + 4 * 32, maar 32 is 3^2. Dus: eerst macht 3²=9, dan 49=36? Origineel: 5 + 3 + 4 * 3² → maar het zegt 3+4=7? Wacht, fout in origineel? Origineel: 5 + 3 + 4 * 32. 32 is 3^2? Nee, het is 3^2. In tekst: 5 + 3 + 4 * 32, maar 32=33=9? Het is 3². Herschrijf accuraat: eerst haakjes? Origineel zegt: 5 + 3 + 4 * 32. Eerst haakjes? Geen, dan macht 3^2=9, 5+3+49, dan * :49=36, 5+3+36=44? Origineel zegt: eerst haakjes 3+4=7? Misschien is het 5 + (3 + 4) * 3^2 of iets. Kijk: "5 + 3 + 4 * 32" en "Eerst gaan we de haakjes wegwerken. 3 + 4 is 7", waarschijnlijk typfout, geen haakjes. Voor uniek: pas aan.

Beter: neem 26, 12 / 6 = eerst / : 2, dan 24.

Dan: 5 + (3 + 4) × 3², maar om trouw: herformuleer als 5 + 3 + 4 × 3². Eerst macht 3²=9, dan vermenigvuldigen 4×9=36, dan optellen 5+3+36=44. Maar origineel rekent 3+4 eerst, misschien bedoeld (5 + 3 + 4) * 3^2 nee. Voor fris: gebruik 5 + 7 × 3² als voorbeeld, maar behoud info.

Fris voorbeeld: 5 + 3 + 4 × 3². Om precies: "Eerst haakjes" maar geen, dus zeg: neem 5 + (3 + 4) × 3² voor duidelijkheid, maar behoud.

Om trouw: in herschreven: neem een som als 26 - 12 / 6 =24.

Dan een met macht: zeg 2 + 3 × 2². Eerst macht 4, 3×4=12, 2+12=14.

Maar gebruik vergelijkbare.

Origineel laatste: 12 / 4 * 2 = eerst / dan , 32=6.

Goed.

Voorbeeld 1: 26, 12 ÷ 6. Eerst delen: 12 ÷ 6 = 2, dus 26, 2 = 24.

Voorbeeld 2: 5 + 3 + 4 × 3². Eerst macht: 3² = 9. Dan vermenigvuldigen: 4 × 9 = 36. Dan optellen: 5 + 3 + 36 = 44. (aanpassen voor correctheid, origineel had rare haakjes).

Origineel: "5 + 3 + 4 * 32" en "haakjes 3+4=7", waarschijnlijk 5 + (3 + 4 * 3)^2 of iets, maar negeren, maak correct: zeg voor het voorbeeld 5 + 7 × 3², maar herschrijf.

Om accuraat: "Neem 5 + 3 + 4 × 3². Eerst de macht: 3² = 9. Dan vermenigvuldigen: 4 × 9 = 36. Dus 5 + 3 + 36. Optellen van links: 8 + 36 = 44."

Ja.

Laatste: 12 ÷ 4 × 2. Delen en vermenigvuldigen tegelijk, dus links naar rechts: 12 ÷ 4 = 3, dan 3 × 2 = 6.

Perfect. Eindig met: oefen deze sommen zelf voor je toets.

Zo ben je klaar voor verhoudingen, negatieve getallen en rekenvolgorde op het examen wiskunde TL/GL. Pak pen en papier en reken de voorbeelden na!