2. Het nieuwe kiesstelsel naar Thorbecke's Grondwet van 1848

Geschiedenis icoon
Geschiedenis
VMBO-TLA. Staatsinrichting in Nederland: 1848 tot nu

Het nieuwe kiesstelsel volgens Thorbecke's Grondwet van 1848

Stel je voor: het is 1848 en Nederland staat op een keerpunt. Koning Willem II is bang voor revoluties zoals in andere landen en roept Johan Rudolf Thorbecke op om een nieuwe Grondwet te schrijven. Die Grondwet verandert Nederland van een absolute monarchie naar een constitutionele monarchie met een parlementaire democratie. Een van de grootste veranderingen zit in het kiesstelsel. Voor die tijd mocht alleen een klein clubje rijke mannen stemmen, maar Thorbecke maakt het iets democratischer. Het nieuwe kiesstelsel introduceert het censuskiesrecht, waarbij het stemrecht, ofwel het kiesrecht, hangt aan de hoeveelheid belasting die je betaalt. Wie genoeg belasting betaalde, had actief kiesrecht, dus het recht om te stemmen. Niet iedereen mocht zich kandidaat stellen; dat was het passief kiesrecht, en dat gold alleen voor nog rijkere lieden of notabelen.

Dit systeem was nog lang niet algemeen kiesrecht, waarbij iedere burger mag stemmen, maar het was een stap vooruit. Ongeveer 10 procent van de mannelijke bevolking boven de 25 jaar kon nu stemmen. Vrouwen en arme mannen vielen buiten de boot. Het kiesstelsel was een districtenstelsel: Nederland was opgedeeld in kiesdistricten, en in elk district koos de kiezer rechtstreeks één afgevaardigde voor de Tweede Kamer. Diegene met de meeste stemmen won, wat rechtstreekse verkiezingen heten. Dit leidde vaak tot een Kamer met liberale notabelen, want in die districten domineerden de rijken. Thorbecke zelf zat in zo'n district en won makkelijk.

Van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht

De Grondwet van 1848 legt de basis, maar het kiesstelsel evolueert snel daarna. In de jaren erna wordt het censuskiesrecht versoepeld. Vanaf 1873 mag je stemmen als je minstens 20 gulden directe belasting betaalt, en in 1885 daalt dat naar 5 gulden. Steeds meer mannen krijgen stemrecht. Pas in 1917 komt het algemeen mannenkiesrecht: alle mannen boven de 25 mogen stemmen, los van inkomen. Vrouwen krijgen kiesrecht in 1919, maar stemmen pas vanaf 1922 mee. Eindelijk algemeen kiesrecht voor iedereen boven de 23 (later 18).

Deze veranderingen maken de democratie inclusiever. Stel je voor hoe spannend dat was: ineens mocht de gewone arbeider of boer meebeslissen. Maar het districtenstelsel blijft tot 1918, en dat veroorzaakt problemen. In kleine districten kon een partij met weinig stemmen toch veel zetels winnen, terwijl een grote partij met veel stemmen maar weinig zetels kreeg. Dat voelde oneerlijk.

De overstap naar evenredige vertegenwoordiging

In 1918 komt een grootse hervorming: het stelsel verandert naar evenredige vertegenwoordiging. Dit betekent dat het percentage zetels dat een partij krijgt, ongeveer gelijk is aan het percentage stemmen dat ze haalt. Haalt een partij 20 procent van de stemmen, dan krijgt ze rond de 20 procent van de 150 zetels in de Tweede Kamer. Geen districten meer, maar één groot landelijk kiesdistrict. Verkiezingen zijn nu landelijk en rechtstreeks: jij stemt op een partij of kandidaat, en de zetels worden verdeeld op basis van de totale stemmen. Dit systeem bestaat nog steeds en zorgt voor een realistisch beeld van wat Nederland wil.

Waarom deze switch? Door het districtenstelsel hadden kleine partijen moeite om door te breken, en grote partijen domineerden. Evenredige vertegenwoordiging geeft iedereen een eerlijke kans, maar het heeft een nadeel: het is lastig om een meerderheidsregering te vormen. Meestal haalt geen partij de 76 zetels alleen, dus partijen moeten samenwerken in een coalitie. Dat is een verbond tussen meerdere partijen om een regering te vormen.

Hoe werkt het vormen van een regering?

Na de verkiezingen voor de Tweede Kamer, die elke vier jaar zijn, tenzij eerder ontbonden, start het spannende deel: kabinetsformatie. De koning (of koningin) vraagt een informateur om te kijken welke partijen een coalitie kunnen vormen. Dat lukt meestal met twee of drie partijen. Ze onderhandelen over een regeerakkoord, ook wel coalitieakkoord genoemd. Daarin staan de afspraken over het beleid voor de komende jaren: belastingen verlagen, meer huizen bouwen, noem maar op. Pas daarna komt de formatie tot een kabinetsverklaring, en de ministers worden benoemd.

De regering bestaat uit de minister-president en ministers, elk verantwoordelijk voor een departement, dat zijn ministeries zoals Buitenlandse Zaken of Onderwijs. Ministers leiden die afdelingen, en ze worden gesteund door staatssecretarissen, die soms 'onderministers' worden genoemd. Ze doen het uitvoerende werk, terwijl de Tweede Kamer wetten maakt en controleert. De Eerste Kamer, gekozen door provinciale staten, keurt wetten goed maar heeft minder macht.

Partijen die niet in de coalitie zitten, vormen de oppositie. Zij zijn tegen de regering en controleren haar scherp. In debatten roepen ze de ministers op het matje. Zo werkt de parlementaire democratie: de burgers kiezen vertegenwoordigers in het parlement, die invloed hebben op het beleid via wetten en controle op de regering.

Wat betekent dit allemaal voor Nederland vandaag?

Vandaag de dag is ons kiesstelsel uniek door die evenredige vertegenwoordiging zonder kiesdrempel. Kleine partijen als D66 of GroenLinks kunnen zetels halen met 5-10 procent van de stemmen. Dat maakt het parlement divers, maar coalities zijn essentieel. Denk aan de formatie van 2021: maanden onderhandelen voor Rutte IV met VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Het regeerakkoord was dik: 70 pagina's met concrete plannen.

Voor jouw examen is dit superbelangrijk. Weet het verschil tussen actief en passief kiesrecht, census versus algemeen, districtenstelsel versus evenredige vertegenwoordiging. Begrijp hoe coalities en oppositie werken in een parlementaire democratie. Oefen met vragen zoals: 'Waarom leidde het districtenstelsel tot oneerlijke verkiezingsuitslagen?' of 'Leg uit wat een coalitieakkoord is en waarom het nodig is.' Zo snap je hoe Nederland van Thorbecke's elitair kiesrecht naar een inclusieve democratie groeide, en waarom dat nog steeds ons systeem is.