Bevolkingsopbouw in China
China is het dichtstbevolkte land ter wereld, met meer dan 1,4 miljard inwoners. Dat betekent een enorme bevolkingsdichtheid, vooral in het oosten van het land waar de meeste mensen op een relatief klein oppervlak wonen. Bevolkingsdichtheid geeft simpelweg aan hoeveel mensen er op een bepaald gebiedsquoot; in China varieert dat enorm, van drukke megasteden tot lege woestijnen in het westen. Maar hoe is die bevolking opgebouwd? En waarom heeft de overheid zo streng ingegrepen? Laten we dat stap voor stap bekijken, want dit is superbelangrijk voor je examen Aardrijkskunde. Je ziet vaak grafieken en kaarten over China, en met deze kennis snap je meteen wat er speelt.
De bevolkingsopbouw van een land laat zien hoe de bevolking is verdeeld over verschillende leeftijden en geslachten. Dat zie je het best in een bevolkingspiramide, een grafiek die eruitziet als een piramide (of soms een vaas of omgekeerde piramide). In China ziet die er bijzonder uit door het beleid van de overheid. Vroeger groeide de bevolking razendsnel door een hoog geboortecijfer, dat is het aantal levendgeborenen per duizend inwoners per jaar. In de jaren zestig en zeventig was dat meer dan 30 per duizend, veel hoger dan in Nederland nu. Het sterftecijfer, het aantal sterfgevallen per duizend inwoners, daalde juist door betere zorg en voeding. De natuurlijke bevolkingsgroei is dan het geboortecijfer min het sterftecijfer. Als dat positief is, heb je een geboorteoverschot en groeit de bevolking. China had dat overschot vroeger gigantisch, wat leidde tot zorgen over voedseltekorten en werkgelegenheid.
De eenkindpolitiek: een drastische ingreep
Om die groei te stoppen, voerde China in 1979 de eenkindpolitiek in, ook wel 'One Child Nation' genoemd. Elke familie mocht maar één kind krijgen; een tweede was strafbaar met boetes, ontslag of gedwongen abortus. Dat werkte: het geboortecijfer zakte naar rond de 10-12 per duizend. Maar het had enorme gevolgen voor de leeftijdsopbouw. Er werden veel minder kinderen geboren, vooral jongetjes omdat families die prefereerden, soms zelfs via sekseselektie. Nu zie je in de bevolkingspiramide een grote kuil bij de jongeren en een bolling bij de 40-50-jarigen. Tegelijkertijd stijgt het aandeel ouderen, wat we vergrijzing noemen. De gemiddelde leeftijd in China wordt hoger, en er zijn steeds meer 65-plussers die zorg nodig hebben, maar minder werkende jongeren om dat te betalen. Stel je voor: in Nederland hebben we ook vergrijzing, maar in China is het extreem door dit beleid. De eenkindpolitiek is in 2016 versoepeld naar twee kinderen, en nu zelfs drie, maar de schade is al gedaan.
Urbanisatie en verstedelijking: van platteland naar megastad
China verandert niet alleen in leeftijd, maar ook in waar mensen wonen. Urbanisatie is de verhuizing van het platteland naar de stad, en dat gaat in China supersnel. De urbanisatiegraad, het percentage stedelingen, is gestegen van 20% in 1980 naar meer dan 60% nu. Het urbanisatietempo, de snelheid daarvan in procenten per jaar, ligt rond de 2-3%, veel hoger dan in Europa. Verstedelijking betekent die toenemende concentratie van mensen in steden. Denk aan megasteden zoals Shanghai, Beijing en Guangzhou, met elk meer dan 10 miljoen inwoners. Die steden groeien zo hard dat ze aan elkaar plakken, wat agglomeratievorming heet. Rond de Pearl River Delta heb je nu één groot volgebouwd gebied met tientallen miljoenen mensen. Waarom doen ze dat? Door de economie. China heeft een vrijemarkteconomie, waar vraag en aanbod bepalen wat er gemaakt wordt en voor welke prijs. Fabrieken in steden trekken arbeiders aan, die welvaart zoeken, dat is hoe goed het gaat met een samenleving, met hogere inkomens en betere leefomstandigheden.
Maar niet alles is rooskleurig. Die migratie veroorzaakt sociale ongelijkheid: rijke stedelingen versus arme plattelanders. En dan het Hukou-systeem, een uniek Chinese registratie die bepaalt waar je mag wonen en werken. Plattelanders met een 'ruraal' Hukou mogen niet zomaar in de stad blijven; ze hebben geen recht op onderwijs, zorg of een huis daar. Ze werken vaak als gastarbeider in fabrieken, maar slapen in barakken. Dat houdt de steden betaalbaar, maar creëert een onderklasse. Op kaarten zie je dat de oostkust vol megasteden zit, terwijl het binnenland leger blijft.
Economie, politiek en toekomst
China's politieke systeem is communistisch, met de Communistische Partij die alles stuurt. Dat maakt strenge controle mogelijk, zoals de eenkindpolitiek of het Hukou. Economisch bloeit het land door export en industrie, wat de welvaart opdrijft. Maar vergrijzing en urbanisatie brengen uitdagingen: wie betaalt de pensioenen? En hoe voed je al die stedelingen? De overheid investeert in robotica en AI om minder arbeiders nodig te hebben. Kijk naar een bevolkingspiramide van China op je examen: smalle basis (weinig kinderen), brede schouders (veel 40-plussers) en een groeiende top (ouderen). Vergelijk dat met India, dat nog een piramide-vorm heeft door hoge groei.
Samenvattend: China's bevolkingsopbouw is gevormd door overheidsingrijpen en economische druk. De eenkindpolitiek remde de groei, maar leidde tot vergrijzing. Urbanisatie creëert megasteden en welvaart, maar ook ongelijkheid via Hukou. Oefen met grafieken: bereken de natuurlijke groei als het geboortecijfer 12‰ en sterfte 7‰ is (dat is +5‰). Snap je dit, dan ac je elk examenitem hierover. Succes met leren!