5. Wie had er kiesrecht?

Geschiedenis icoon
Geschiedenis
VMBO-KBA. Van monarchie tot democratie

Wie had er kiesrecht?

Stel je voor: het is 1848, Nederland krijgt een nieuwe Grondwet en ineens mogen niet alleen de allerrijksten meebeslissen over de regering. Maar wacht eens even, wie mocht er eigenlijk stemmen? In dit hoofdstuk duiken we in de wereld van het kiesrecht rond de Grondwet van 1848. Dit is superbelangrijk voor je examen, want het laat zien hoe Nederland stap voor stap democratischer werd. We beginnen bij het begin: de Grondwet van 1848, en dan kijken we wie er precies een stem had, en waarom niet iedereen.

De Grondwet van 1848 was een mijlpaal. Het is de belangrijkste wet van Nederland, waarin staat hoe ons land bestuurd wordt en welke rechten burgers hebben. Thorbecke, de man achter deze Grondwet, wilde een democratie creëren waarin het volk regeert via een parlement. Maar in 1848 was dat nog geen volledige democratie zoals we die nu kennen. Het volk mocht wel een volksvertegenwoordiging kiezen, maar alleen een klein clubje mensen had kiesrecht. Dat systeem heette censuskiesrecht, en dat betekent dat je alleen mocht stemmen als je genoeg belasting betaalde. Arme mensen, vrouwen en jongeren vielen er buiten. Waarom? Omdat de elite dacht dat alleen 'verantwoordelijke' burgers met geld slim genoeg waren om te stemmen.

Censuskiesrecht: betalen om te stemmen

Laten we censuskiesrecht eens goed uitpluizen. Bij dit kiessysteem hing je stemrecht af van de directe belastingen die je betaalde, zoals de inkomstenbelasting of onroerendzaakbelasting. In 1848 moest je minstens 20 gulden per jaar aan directe belastingen betalen om te mogen stemmen. Dat klinkt niet veel, maar reken maar uit: een gemiddeld dagloon van een arbeider was rond de 1 gulden. Dus als je arm was, een boer zonder veel grond of een fabrieksarbeider, dan betaalde je te weinig belasting en mocht je niet stemmen. Ongeveer 10 procent van de mannelijke bevolking boven de 25 jaar had kiesrecht, dus ruwweg 200.000 mannen uit een bevolking van miljoenen.

Vrouwen? Die hadden helemaal geen kiesrecht, net als mannen onder de 25. Het idee was dat alleen mannen met bezit 'onafhankelijk' genoeg waren om voor het landsbelang te stemmen, zonder beïnvloed te worden door hun baas of armoede. Neem bijvoorbeeld een rijke koopman in Amsterdam: die betaalde bakken met belasting over zijn huizen en schepen, dus hij mocht stemmen én zich zelfs kandidaat stellen voor de Tweede Kamer als hij nog meer belasting betaalde, minstens 80 gulden. Een arme textielarbeider in Twente? Die werkte zich een ongeluk, maar had nul komma nul invloed op de politiek. Dit censuskiesrecht zorgde ervoor dat de regering vooral werd gekozen door de gegoede burgerij, de midden- en bovenklasse.

Van beperkt kiesrecht naar algemeen kiesrecht

Gelukkig bleef het niet bij dat censuskiesrecht. Nederland ontwikkelde zich langzaam naar algemeen kiesrecht, waarbij iedere burger mag stemmen, ongeacht geslacht, inkomen of leeftijd (boven de 18 nu). In 1874 werd het censuskiesrecht iets verruimd: de belastinggrens ging omlaag naar 15 gulden, en meer mannen kregen stemrecht. Maar nog steeds alleen mannen. Pas in 1917 kwam het actief algemeen mannenkiesrecht: alle mannen boven de 25 mochten stemmen, zonder census. Vrouwen moesten nog wachten tot 1919 voor passief kiesrecht (zich kandidaat stellen) en 1922 voor actief kiesrecht (stemmen).

Waarom deze veranderingen? Door druk van socialisten, vakbonden en feministen groeide het besef dat een echte democratie iedereen een stem moet geven. Denk aan de spoorwegstakingen van 1903: arbeiders eisten meer rechten en toonden aan dat het volk niet langer genegeerd kon worden. Algemeen kiesrecht betekent dus dat elke burger, man of vrouw, rijk of arm, mag stemmen. Vandaag de dag is dat de basis van onze democratie: het volk kiest het parlement, en dat parlement beslist over wetten en de regering.

Waarom dit examenstof is en hoe het werkt in de praktijk

Voor je toets of examen moet je snappen dat de Grondwet van 1848 het startschot was voor onze democratie, maar met censuskiesrecht was het nog een 'democratie light'. Vragen zoals 'Wie had kiesrecht in 1848?' of 'Wat is het verschil tussen censuskiesrecht en algemeen kiesrecht?' komen vaak terug. Onthoud: censuskiesrecht = belasting betalen om te stemmen; algemeen kiesrecht = iedereen mag meedoen. Vergelijk het met nu: als je 18 bent, kun je stemmen op de Tweede Kamerverkiezingen, ongeacht je portemonnee. Dat is de evolutie van monarchie naar democratie in een notendop, van koningsgezag naar jouw stem telt mee.

Door dit te leren, snap je hoe Nederland van een land voor de elite naar een echte volksregering ging. Oefen het door jezelf af te vragen: hoeveel mensen hadden kiesrecht in 1848? En waarom juist zij? Zo zit het vast voor je examen!