Hitler's doorbraak: de weg naar totale macht
Stel je voor: het is de jaren dertig in Duitsland, en het land zit diep in de problemen na de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie. Mensen zijn werkloos, hongerig en wanhopig. In die chaos komt Adolf Hitler op, de leider van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, kortweg NSDAP of nazi's genoemd. Nazi's zijn aanhangers van het nationaalsocialisme, een extreem-nationalistische ideologie die Duitsland weer groot en sterk wil maken, maar ten koste van minderheden en democratie. Hitler's doorbraak markeert het einde van de Weimarrepubliek, de democratische periode in Duitsland van 1918 tot 1933, en de start van een totalitaire staat. In een totalitaire staat wordt alles ondergeschikt gemaakt aan het belang van de staat, met de leider bovenaan. Dit hoofdstuk duikt diep in hoe Hitler dat voor elkaar kreeg, stap voor stap, zodat je het perfect begrijpt voor je toets of examen.
De Weimarrepubliek: een broos begin
De Weimarrepubliek was Germany's eerste echte democratie, genoemd naar de stad waar de grondwet werd gemaakt. Maar het ging van meet af aan slecht. Door het Verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog moest Duitsland enorme herstelbetalingen doen, gebieden afstaan en een klein leger houden. Dat maakte veel Duitsers boos en vernederd. Toen kwam de Grote Depressie in 1929: miljoenen mensen verloren hun baan, banken gingen failliet en er was hyperinflatie geweest vlak ervoor, waarbij een brood meer kostte dan een maandloon. In deze ellende groeide de NSDAP razendsnel. Hitler beloofde werk, brood en revanche op de 'verraders' die Duitsland hadden verraden. Hij schilderde Joden, communisten en democraten af als vijanden van het volk, en gebruikte dat om aanhangers te werven.
De Reichstagbrand: de kans die Hitler greep
Op 27 februari 1933 brak er brand uit in de Reichstag, het parlementsgebouw in Berlijn. De dader was Marinus van der Lubbe, een Nederlandse communist, die meteen werd opgepakt en later geëxecuteerd. Of het echt een complot was, weet niemand zeker, maar Hitler gebruikte het perfect. Hij schold communisten uit voor staatsvijanden en drukte door dat president Hindenburg hem noodmachten gaf via de Rijksdagbrandverordening. Daarmee schorste hij burgerrechten zoals vrije meningsuiting en persvrijheid. Al snel werden tienduizenden communisten, socialisten en vakbondsleiders opgepakt. Dit was de eerste stap naar een totalitaire staat, waar oppositie niet meer mogelijk was.
Kort daarna, in maart 1933, werden verkiezingen gehouden. De nazi's werden de grootste partij, maar hadden nog geen meerderheid. Hitler maakte een deal met conservatieve partijen en liet de Enabling Act goedkeuren. Die gaf hem dictatoriaal gezag voor vier jaar. President Hindenburg stierf in 1934, en Hitler nam alle macht over: hij werd Rijkskanselier én staatshoofd, en noemde zich Führer. De Weimarrepubliek was voorbij.
Nazi-ideologie en rassenwetten: haat als basis
Hitler's macht berustte op de nazi-ideologie, die superieur ras, de 'Ariërs', boven alles stelde. Op 15 september 1935 introduceerde hij de Rassenwetten van Neurenberg. Die drie wetten regelden het burgerschap (alleen voor 'raszuiveren' Duitsers), beschermden 'Duits bloed' door huwelijken met Joden te verbieden, en beschermden de 'genetische gezondheid' door sterilisatie van 'ongewensten'. Joden verloren rechten, moesten een gele ster dragen en werden uitgesloten van banen en scholen. Dit was het begin van systematische discriminatie, die later uitmondde in genocide, het opzettelijk en stelselmatig uitroeien van een etnische groep, zoals de Holocaust.
Om dit te verkopen, zette Hitler in op propaganda. Propaganda is communicatie die de publieke opinie bespeelt om aanhangers te winnen voor een idee. Joseph Goebbels, minister van Propaganda, controleerde kranten, radio, films en posters. Hitler werd neergezet als redder des vaderlands, met massabijeenkomsten in Neurenberg waar tienduizenden juichten. Kinderen leerden nazi-groeten op school, en de Hitlerjugend maakte jongeren fanatiek. Zo werd de totale staat een realiteit: iedereen moest meedoen, of anders.
Buitenlandse expansie: Anschluss en München
Met binnenlandse macht veilig, keek Hitler naar buiten. Hij wilde Lebensraum, leefruimte, voor Duitsers, ten koste van buren. Eerst herintroduceerde hij conscriptie in 1935, wat verboden was bij Versailles. Niemand deed er wat tegen. Toen kwam de Anschluss op 13 maart 1938: Oostenrijk werd geannexeerd door Duitsland. Veel Oostenrijkers juichten, want zij wilden ook bij het 'Grote Duitsland'. Het was een officiële unie, maar illegaal volgens het verdrag.
Vervolgens richtte Hitler zich op Tsjecho-Slowakije, met name het Sudetenland waar veel Duitssprekenden woonden. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk volgden appeasementpolitiek: geef concessies om oorlog te voorkomen. Op de Conferentie van München in september 1938 kwamen Neville Chamberlain (VK), Édouard Daladier (Frankrijk), Hitler en Mussolini (Italië) bijeen. Ze sloten het Verdrag van München: Tsjecho-Slowakije moest het Sudetenland afstaan aan Duitsland, met de belofte dat dit de laatste expansie was. Chamberlain zwaaide met zijn 'vrede voor onze tijd'-papier, maar Hitler loog. In maart 1939 nam hij de rest van Tsjecho-Slowakije in. Appeasement had gefaald, en de weg naar de Tweede Wereldoorlog lag open.
Waarom dit examenstof is en hoe je het onthoudt
Hitler's doorbraak laat zien hoe democratie kan omvallen in crisis: economische ellende, slimme propaganda, een 'noodgeval' als de Reichstagbrand en zwak buitenlands beleid. Voor je examen: onthoud de chronologie, Reichstagbrand 1933, Rassenwetten 1935, Anschluss 1938, München 1938. Link begrippen: nazi's bouwen totalitaire staat via propaganda en rassenwetten; appeasement leidt tot expansie. Oefen met vragen als: 'Wat was de rol van de Enabling Act?' of 'Waarom faalde appeasement?'. Snap je dit, dan snap je hoe het interbellum overging in WOII. Succes met leren, je kunt het!