Economische verdragen: de basis van de Europese samenwerking
Na de Tweede Wereldoorlog lag Europa in puin. Landen moesten hun economieën heropbouwen, maar er was ook een groot probleem: de kans op nieuwe conflicten, vooral tussen Frankrijk en Duitsland, was nog altijd reëel. Om dat te voorkomen en de welvaart te bevorderen, sloten Europese landen belangrijke economische verdragen. Deze verdragen legden de basis voor wat nu de Europese Unie is. Ze begonnen klein, met specifieke sectoren zoals kolen en staal, en groeiden uit tot een volledige economische gemeenschap. Voor jouw geschiedenisexamen op KB-niveau is het cruciaal om te snappen waarom deze verdragen werden gesloten, welke landen meededen en wat hun gevolgen waren. Laten we ze stap voor stap doornemen, zodat je het verband ziet met de Koude Oorlog en de deling van Europa.
De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS): de eerste stap naar vrede
Stel je voor: in 1950 wilden Frankrijk en West-Duitsland samenwerken om te voorkomen dat kolen en staal, de grondstoffen voor wapens, opnieuw tot oorlog zouden leiden. De Franse minister Robert Schuman stelde voor om deze industrieën onder een gemeenschappelijk toezicht te plaatsen. Dat leidde in 1951 tot het Verdrag van Parijs, waarmee de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) werd opgericht. Zes landen tekenden mee: België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland. Deze 'Zes van Parijs' besloten dat kolen en staal vrij zouden worden verhandeld binnen hun gemeenschap, zonder douaneheffingen ertussen. Een supranationale Hoge Autoriteit ging over de productie en prijzen, zodat geen enkel land een voorsprong kon nemen.
Waarom was dit zo revolutionair? Door kolen en staal te delen, maakten ze oorlog economisch onmogelijk. Duitsland, met zijn sterke industrie, kon zijn staal niet meer inzetten tegen Frankrijk, en vice versa. De EGKS bevorderde ook de wederopbouw: landen profiteerden van goedkopere grondstoffen en nieuwe markten. In de praktijk betekende dit dat mijnen in Limburg en staalfabrieken in het Ruhrgebied nauwer samenwerkten. Voor het examen onthoud je: EGKS = 1951, zes oprichtende landen, focus op kolen en staal, doel: vrede en welvaart.
De Europese Economische Gemeenschap (EEG): van kolen naar complete markt
De EGKS werkte zo goed dat de zes landen meer wilden. In 1957 tekenden ze in Rome twee verdragen: één voor de EGKS (die werd uitgebreid) en vooral het Verdrag van Rome voor de Europese Economische Gemeenschap (EEG). De EEG richtte zich niet alleen op kolen en staal, maar op een volledige douane-unie. Dat betekent dat goederen, diensten, kapitaal en uiteindelijk ook mensen vrij konden bewegen tussen de lidstaten. Binnen een periode van twaalf jaar zouden alle douanebarrières verdwijnen en een gemeenschappelijk extern tarief komen.
De EEG creëerde een enorme interne markt van zo'n 170 miljoen consumenten. Bedrijven uit Nederland, zoals Philips, konden makkelijker exporteren naar Italië of Duitsland zonder extra kosten. Dit stimuleerde groei: de economieën van de zes landen boomden in de jaren zestig. Instellingen zoals de Europese Commissie, de Raad van Ministers en het Europees Parlement kregen vorm om besluiten te nemen. Belangrijk detail voor je toets: EEG = 1957, Verdrag van Rome, zes landen, leidde tot vrije handel en een gemeenschappelijke markt. Later sloten andere landen zich aan, zoals Groot-Brittannië in 1973, waardoor het groeide tot de Europese Gemeenschap (EG).
Comecon: de communistische tegenhanger in Oost-Europa
Terwijl West-Europa zich aaneensloot met de EGKS en EEG, deed het Oostblok hetzelfde, maar dan onder Sovjet-invloed. In 1949 richtten de Sovjet-Unie en acht andere communistische landen de Comecon op, de Council for Mutual Economic Assistance. Dit was de Raad voor Wederzijdse Economische Bijstand. Landen als Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Albanië en de DDR (Oost-Duitsland) werkten samen om hun planeconomieën te coördineren.
Comecon leek op de EEG, maar verschilde fundamenteel: er was geen vrije markt, maar centrale planning vanuit Moskou. De Sovjet-Unie leverde ruwe olie en gas, Oost-Europese landen industriële goederen. Het doel was wederzijdse hulp, maar in de praktijk domineerde de USSR en profiteerden satellietstaten minder. Dit illustreert de deling van Europa tijdens de Koude Oorlog: kapitalistisch Westen versus communistisch Oosten. Voor het examen vergelijk je dit: EGKS/EEG = supranationaal en marktvrij, Comecon = bilateraal en gecentraliseerd.
Het Verdrag van Maastricht: van EEG naar Europese Unie
De EEG ontwikkelde zich verder, maar in de jaren tachtig wilden landen meer dan alleen economie. In 1992 tekenden de twaalf lidstaten het Verdrag van Maastricht, dat in 1993 van kracht werd. Dit verdrag transformeerde de Europese Gemeenschap (EG) in de Europese Unie (EU). Belangrijke vernieuwingen waren de drie pijlers: economische samenwerking (nu EMU, Economische en Monetaire Unie), buitenlands beleid en justitie. Het legde de basis voor de euro, die in 1999 werd ingevoerd als virtuele munt en in 2002 als fysiek geld.
Door het Verdrag van Maastricht werd de EU meer dan een economische club; het ging om politieke eenheid, burgerschap en gemeenschappelijke valuta. Nederland, als oprichtend lid, speelde een grote rol. Onthoud voor je examen: Verdrag van Maastricht = 1993, EG → EU, EMU en euro.
Waarom deze verdragen examenwaardig zijn
Deze economische verdragen tonen hoe Europa uit de as van de oorlog een supermacht werd. EGKS voorkwam conflict door integratie van zware industrie, EEG creëerde welvaart door vrije handel, Comecon was het Oostelijke antwoord, en Maastricht maakte het politiek. In toetsen krijg je vaak vragen als: 'Noem de zes landen van de EGKS' of 'Wat was het doel van het Verdrag van Rome?'. Oefen door timelines te maken of te vergelijken met hedendaagse EU-problemen zoals Brexit. Begrijp het verband met de Koude Oorlog, en je haalt hoge cijfers. Succes met leren, dit is de kern van hoofdstuk B!