33. Invloed van werkloosheid

Economie icoon
Economie
VMBO-KBB. Arbeid en productie

Invloed van werkloosheid in de economie

Stel je voor dat een hoop mensen in Nederland geen baan kunnen vinden, ook al willen ze dolgraag werken. Dat klinkt niet alleen vervelend voor die mensen zelf, maar het heeft ook een groot effect op de hele economie. Werkloosheid is namelijk een van de belangrijkste thema's in de macro-economie, en voor jouw examen economie KB is het cruciaal om te snappen hoe dit doorwerkt op productie, inkomen en nog veel meer. In dit hoofdstuk duiken we diep in de invloed van werkloosheid, zodat je het perfect kunt uitleggen en toepassen op grafieken of kringloopmodellen. Laten we beginnen bij de basis.

Wat betekent werkloosheid precies?

Werkloosheid treedt op als iemand tot de beroepsbevolking behoort, beschikbaar is voor betaalde arbeid en actief zoekt naar werk, maar geen baan heeft. Dat klinkt als een droge definitie, maar denk er eens over na: de beroepsbevolking omvat alle mensen van 15 tot 75 jaar die werken of willen werken. Wie niet zoekt, zoals een fulltime student of iemand die niet beschikbaar is, telt niet mee. In Nederland meten we dit via het CBS met enquêtes, en de werkloosheidsgraad is het percentage werklozen ten opzichte van de totale beroepsbevolking. Als die graad stijgt, bijvoorbeeld naar boven de 5 procent zoals tijdens de coronacrisis, dan voel je dat meteen in de portemonnee van het land.

Er zijn verschillende soorten werkloosheid die elk hun eigen invloed hebben. Frictionele werkloosheid is tijdelijk, bijvoorbeeld als iemand wisselt van baan en even tussen twee klussen in zit, dat is eigenlijk gezond voor de arbeidsmarkt. Structurele werkloosheid ontstaat door een mismatch, zoals wanneer er te weinig vakmensen zijn voor nieuwe technologieën, of als fabrieken sluiten door globalisering. Conjuncturele werkloosheid is het gevolg van een dip in de economie, waarbij vraag naar goederen en diensten krimpt, zodat bedrijven mensen ontslaan. Voor het examen moet je deze onderscheiden, want de invloed verschilt: frictionele is minder schadelijk dan conjuncturele, die de hele economie lamlegt.

Hoe beïnvloedt werkloosheid de productie?

De grootste klap van werkloosheid komt op de totale productie neer. In een kringloopmodel zie je dat arbeid een productiefactor is, en als er werklozen zijn, wordt niet al het arbeidsaanbod benut. Het bruto binnenlands product (BBP) daalt omdat er minder wordt geproduceerd. Neem nou de kredietcrisis van 2008: in Nederland steeg de werkloosheid naar ruim 7 procent, en het BBP kromp met 4 procent. Bedrijven produceren minder omdat ze minder bestellingen krijgen, en dat leidt tot een vicieuze cirkel. Op de AD-AS-grafiek verschuift de totale vraag (AD) naar links door dalende consumptie, waardoor het evenwicht bij een lager produktieniveau ligt en werkloosheid toeneemt.

Dit effect is extra duidelijk bij conjuncturele werkloosheid. Als de economie in een recessie zit, dalen investeringen en export, zodat productiecapaciteit onbenut blijft. Het BBP-gat, oftewel het verschil tussen potentieel en werkelijk BBP, wordt groter. Voor jou als leerling is dit toetsbaar: bereken in een vraagstuk hoe een stijging van werkloosheid met 1 procent het BBP met x procent verlaagt, gebaseerd op Okun's wet, die zegt dat een daling van 2 procent in werkloosheid het BBP met zo'n 5 procent verhoogt.

Invloed op inkomen, consumptie en investeringen

Werklozen hebben geen loon, dus hun inkomen stort in, ze leven van een uitkering die vaak maar 70 procent van het vorige loon is. Dat remt de consumptie af, want gezinnen kopen minder boodschappen, kleding of een nieuwe fiets. In de kringloop stroomt er minder geld van huishoudens naar bedrijven, waardoor de totale vraag krimpt en nog meer ontslagen vallen. Dit is de beroemde multiplierwerking: een initieel verlies aan inkomen leidt tot een veelvoud aan daling in consumptie.

Bedrijven merken dit ook in hun investeringen. Met minder omzet durven ze geen nieuwe machines te kopen of fabrieken uit te breiden, wat de productiecapaciteit op lange termijn aantast. Rente speelt hierin mee: bij hoge werkloosheid drukt de ECB vaak de rente om investeringen te stimuleren, maar als het vertrouwen laag is, helpt dat niet altijd. Een goed voorbeeld is de lockdown in 2020, toen werkloosheid piekte en consumptie met 10 procent daalde, met een kettingreactie op de hele economie.

Effect op de overheidsbegroting en belastingen

De overheid krijgt het zwaar te verduren bij werkloosheid. Er komt minder inkomstenbelasting en btw binnen omdat inkomens en uitgaven dalen, terwijl uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen exploderen. Het begrotingstekort groeit, en de overheidsschuld stijgt als percentage van het BBP. In Nederland gold tijdens de crisis een automatische stabilisator: hogere uitkeringen en lagere belastingen dempen de klap, maar dat kost geld. Dit kun je zien in de IS-grafiek, waar overheidsuitgaven de vraag stabiliseren.

Op lange termijn kan dit leiden tot bezuinigingen, wat de recessie verlengt. Voor het examen: leg uit hoe een conjunctureel tekort helpt bij werkloosheid, maar structureel een probleem wordt.

Invloed op prijzen, inflatie en internationale handel

Werkloosheid drukt vaak op de prijzen. Met minder vraag ontstaat deflatiedruk, want lonen stijgen niet en bedrijven verlagen prijzen om te verkopen. Dit past bij de Phillips-curve: hoge werkloosheid gaat samen met lage inflatie. Maar pas op, bij structurele werkloosheid kan het anders uitpakken als looneisen hoog blijven.

En dan export, want die speelt mee in open economieën als Nederland. Werkloosheid verlaagt de koopkracht, dus import daalt, maar export kan ook lijden als buitenlandse markten krimpen of als een zwakke euro niet helpt. Stel dat Duitsland recessie heeft, dan exporteert Nederland minder auto-onderdelen, werklozen in de industrie nemen toe, en de spiraal begint. Netto-export (X-M) in het BBP krimpt, wat de totale productie verder raakt.

Wat kun je ermee op het examen?

Om dit te toetsen, oefen met grafieken: teken een AD-AS met een linkse verschuiving door werkloosheid, of een kringloop met gebroken pijlen door dalende consumptie. Bereken multipliers of leg beleid uit, zoals loonsverlaging om werkloosheid te bestrijden, maar besef dat dit consumptie verder drukt. Denk na over voor- en nadelen, want economie is niet zwart-wit.

Kortom, werkloosheid is een rem op de motor van de economie, met effecten op alles van productie tot begroting. Snap je dit, dan scoor je goud op je toets. Oefen met echte cijfers uit crisistijden, en je bent er klaar voor!