Het interbellum: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije
Stel je voor: de Eerste Wereldoorlog is net voorbij, Europa ligt in puin en niemand weet precies wat er komen gaat. Dit is het interbellum, de periode tussen 1918 en 1939, tussen de twee wereldbranden dus. In deze tijd probeert Europa zichzelf weer op te bouwen, maar het lukt niet echt. Vooral in Duitsland en het voormalige Oostenrijk-Hongarije gaat het mis. Duitsland krijgt te maken met een nieuwe democratie die wankelt, en Oostenrijk-Hongarije valt helemaal uit elkaar. Laten we dat stap voor stap bekijken, zodat je het goed snapt voor je toets of examen. We beginnen bij Duitsland, want daar gebeurt het meeste.
Duitsland na de Eerste Wereldoorlog: de Weimarrepubliek
Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, in november 1918, is Duitsland verslagen. De keizer, Wilhelm II, vlucht naar Nederland en het land is in rep en roer. Er breekt een revolutie uit en voor het eerst in zijn geschiedenis wordt Duitsland een democratie: de Weimarrepubliek. Die naam komt van de stad Weimar, waar de nieuwe grondwet in 1919 wordt gemaakt. In principe klinkt dat mooi, een parlement, verkiezingen, vrijheid van meningsuiting, maar het loopt totaal anders. De Weimarrepubliek bestaat van 1918 tot 1933 en is een tijd van chaos. Mensen zijn arm, werkloos en boos op de leiders die de oorlog hebben verloren. Ze noemen dat de 'dolkstootlegende': het idee dat Duitsland niet op het slagveld verloor, maar verraden werd door socialisten en joden thuis. Dat verhaal helpt later extremisten als Hitler enorm.
De Weimarrepubliek kampt meteen met enorme problemen. Er zijn herstelbetalingen, geld dat Duitsland moet betalen aan de geallieerden, dat zijn de landen zoals Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten die tegen Duitsland vochten. Die betalingen zijn bedoeld om de schade van de oorlog te vergoeden, maar ze zijn gigantisch hoog. Duitsland kan het niet betalen, wat leidt tot economische rampspoed. In 1923 explodeert de inflatie: een brood kost ineens miljarden marken. Mensen sjouwen kruiwagens vol geld naar de winkel, alleen om het de volgende dag waardeloos te zien worden. Dat is de hyperinflatie, een crisis die het vertrouwen in de democratie helemaal wegvaagt. Ondertussen zijn er voortdurend stakingen, opstanden van communisten links en extreemrechts geweld. De regering wisselt elke paar maanden, niemand krijgt een meerderheid. Het is een broeinest voor dictators.
Het Verdrag van Versailles: de schuld van alles
Alles begint echt met het Verdrag van Versailles, getekend op 28 juni 1919 in het paleis van Versailles bij Parijs. Dit verdrag beëindigt officieel de Eerste Wereldoorlog tussen Duitsland en de geallieerden. Duitsland mag niet eens meepraten; het moet gewoon tekenen. De voorwaarden zijn keihard. Duitsland verliest een hoop grond: Elzas-Lotharingen gaat naar Frankrijk, delen van Pruisen naar Polen, en zelfs kleine stukjes aan België en Denemarken. Het leger mag nog maar 100.000 man hebben, geen tanks, geen vliegtuigen, geen onderzeeërs. De Rijnland wordt ontmilitariseerd, dus geen soldaten daar. En dan die herstelbetalingen: 132 miljard goudmark, een bedrag dat Duitsland decennia zou kosten. Duitsland moet ook al zijn koloniën afstaan.
Waarom zo streng? De geallieerden, vooral Frankrijk, zijn doodsbang dat Duitsland opnieuw aanvalt. Ze willen het land klein en zwak houden. Maar voor Duitsers voelt het als een vernedering, een 'Diktat' of gedwongen verdrag. Politici in de Weimarrepubliek tekenen het met pijn in het hart, maar ze hebben geen keuze. Dit verdrag zaait haat en wordt later gebruikt door Hitler om te zeggen: 'Ik ga het herstellen!' Voor je examen: onthoud de data, de verliezen en waarom het zo belangrijk was. Het Verdrag van Versailles is dé trigger voor de problemen in het interbellum.
Oostenrijk-Hongarije: het einde van een rijk
Nu naar Oostenrijk-Hongarije, het enorme rijk in Midden-Europa dat ook aan de verkeerde kant stond in de oorlog. Dit was een multi-etnisch keizerrijk met Hongaren, Tsjechen, Slowaken, Kroaten en nog veel meer volken onder één kroon. Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog valt het uit elkaar. Keizer Karel I kan het niet bij elkaar houden en in 1918 is het voorbij. Het rijk wordt opgedeeld in nieuwe landen: Oostenrijk wordt een klein landje, Hongarije onafhankelijk, Tsjechoslowakije en Joegoslavië komen erbij. Dat heet de vrede van de nationaliteiten, volken krijgen hun eigen staat.
Voor Oostenrijk komt het Verdrag van Saint-Germain in 1919, vergelijkbaar met Versailles. Oostenrijk moet Süd-Tirol afstaan aan Italië, delen aan Polen en Tsjechoslowakije. Het leger wordt beperkt en het moet herstelbetalingen betalen. Oostenrijk wordt een republiek, maar het is arm en instabiel. Mensen willen zelfs samengaan met Duitsland, Anschluss noemen ze dat, maar dat mag niet van de geallieerden. Hongarije krijgt het Verdrag van Trianon in 1920, en verliest twee derde van zijn grondgebied. Dat leidt tot revanchisme, wraakgevoelens. Beide landen zitten in economische misère, met hoge werkloosheid en politieke ruzies tussen socialisten en fascisten. Het interbellum is hier een tijd van armoede en onrust, die later door Hitler wordt gebruikt.
Waarom faalt het interbellum in deze landen?
Kort samengevat: het interbellum mislukt door de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. In Duitsland leidt het Verdrag van Versailles tot woede en crisis in de Weimarrepubliek, met hyperinflatie en politieke instabiliteit. Oostenrijk-Hongarije verdwijnt en de nieuwe staatjes zijn zwak en verdeeld. De geallieerden dachten vrede te brengen met hun verdragen en herstelbetalingen, maar ze creëerden juist nieuwe problemen. Dit legt de basis voor de Tweede Wereldoorlog. Voor je toets: ken de begrippen interbellum, Weimarrepubliek, Verdrag van Versailles, herstelbetalingen en geallieerden uit je hoofd. Denk na over de gevolgen, waarom leidde dit tot Hitler? Oefen met kaarten van grondveranderingen en tijdlijnen. Zo scoor je punten!