Examenvraag 3: Wel of niet in het centraal examen Duits BB
Stel je voor dat je tijdens het centraal examen Duits zit en bij vraag 3 een tekst voor je hebt liggen. Er staan een paar stellingen onder, en bij elke stelling moet je kiezen: wel of niet. Dat klinkt simpel, maar het is een vraag die veel leerlingen laat struikelen als ze niet precies weten hoe het werkt. In deze uitleg duiken we diep in examenvraag 3, zodat jij precies snapt wat de examenmakers willen en hoe je hier punten scoort. We kijken naar de regels, voorbeelden uit de praktijk en tips om het foutloos te maken. Zo kun je met een gerust hart je examen ingaan.
Hoe werkt een wel/niet-vraag precies?
In het centraal examen Duits op BB-niveau is vraag 3 altijd een wel/niet-vraag over een leesvaardigheidstekst. Je krijgt een korte tot middelgrote tekst, vaak over alledaagse onderwerpen zoals vrije tijd, school, familie of een reisverhaal. Daaronder staan drie tot vijf stellingen, en bij elke stelling kruis je aan: wel als de informatie letterlijk in de tekst staat, of niet als die informatie er niet staat of gewoon niet klopt met wat er geschreven is.
Het belangrijkste om te onthouden: je mag niet zelf invullen of interpreteren. Alles moet zwart-op-wit in de tekst staan. Geen gokken op basis van wat je denkt dat de schrijver bedoelt, en al helemaal geen buitenkennis gebruiken. Als de tekst zegt 'Ik ga vaak naar de bioscoop', en een stelling luidt 'De schrijver gaat elke dag naar de bioscoop', dan is dat niet, want 'vaak' betekent niet 'elke dag'. Zo simpel is het. De examenmakers testen hier puur of je de tekst goed begrijpt en de hoofdzaken oppikt zonder fratsen.
Waarom struikelen leerlingen hier vaak?
Veel scholieren maken de fout door te veel na te denken. Ze lezen een stelling en denken: 'Nou, dat zal wel ongeveer kloppen.' Maar nee, het moet exact kloppen. Of ze halen hun eigen leven erbij: als jij zelf vaak naar de bioscoop gaat, ga je misschien te snel 'wel' invullen. Train jezelf om alleen naar de tekst te kijken, woord voor woord. Een andere valkuil is synoniemen: als de tekst 'glücklich' zegt en de stelling 'froh', is dat wel, want het betekent hetzelfde. Maar als het 'traurig' is, dan niet. Oefen dit door teksten hardop voor te lezen en stellingen te parafraseren in je eigen woorden, dat helpt om scherp te blijven.
Voorbeeld 1: Een tekst over hobby's
Laten we een realistisch voorbeeld nemen, zoals je die in het examen kunt verwachten. Stel, de tekst gaat als volgt: 'Meine Schwester Anna ist 16 Jahre alt. Sie wohnt in Amsterdam und geht zur Schule. Am Wochenende spielt sie gerne Tennis mit ihren Freunden. Tennis ist ihre Lieblingsportart. Sie hat auch einen Hund, aber sie geht nicht oft mit ihm spazieren, weil sie keine Zeit hat.'
Nu de stellingen:
Anna wohnt in Amsterdam.
Dit staat letterlijk in de tekst, dus wel.Anna ist 15 Jahre alt.
Nee, de tekst zegt 16, dus niet.Anna spielt Fußball am Wochenende.
De tekst praat over Tennis, niet Fußball, dus niet.Tennis ist Annas Lieblingssportart.
Precies zoals het staat, dus wel.Anna geht jeden Tag mit ihrem Hund spazieren.
De tekst zegt 'nicht oft', dus zeker niet 'jeden Tag', niet.
Zie je hoe het werkt? Je scant de tekst op de exacte woorden of synoniemen. In het examen vul je dit in door 'wel' of 'niet' te omcirkelen of aan te kruisen, afhankelijk van de opmaak. Volledig juist maken levert je alle punten op, meestal 1 punt per stelling.
Voorbeeld 2: Een tekst over een reis
Nog een voorbeeld om het te verstevigen, want variatie zit in het examen. Tekst: 'Letzten Sommer bin ich mit meiner Familie nach Berlin gefahren. Wir sind mit dem Zug gereist, weil das Auto kaputt war. In Berlin haben wir das Brandenburger Tor besucht und viel Eis gegessen. Es war super heiß, deswegen haben wir uns im Park ausgeruht.'
Stellingen:
Die Familie ist mit dem Auto nach Berlin gereist.
Tekst zegt 'mit dem Zug', dus niet.In Berlin war es heiß.
Ja, 'super heiß', dus wel.Sie haben das Brandenburger Tor besucht.
Letterlijk, wel.Der Urlaub war im Winter.
Tekst zegt 'letzten Sommer', dus niet.Sie haben im Park Eis gegessen.
Nee, 'viel Eis gegessen' staat los van het park, en uitrusten was in het park, dus niet.
Met dit soort voorbeelden zie je dat de stellingen vaak kleine twists hebben om je te testen. Altijd terug naar de tekst!
Tips om perfect te scoren op vraag 3
Om dit vlekkeloos te doen, begin je met de tekst een keer snel doorlezen voor het overzicht, en dan nog een keer grondig terwijl je de stellingen paraat hebt. Markeer in je hoofd de kernzinnen. Tijd is hier geen issue, want het is een korte vraag, maar precisie wel. Oefen met oude examenopgaven, zoek ze op via ExamenMentor en doe er tien per dag. Vraag jezelf na elke stelling af: staat dit écht? Maak een lijstje in je hoofd van veelvoorkomende valkuilen, zoals getallen (leeftijd, data), frequentie (vaak/niet vaak), locaties en activiteiten.
Als je dit beheerst, pak je makkelijk deze punten binnen, en dat scheelt alweer in je totale score. Het is geen rocket science, maar wel een kans om te laten zien dat je de basis van Duits lezen snapt. Blijf oefenen, en voor je het weet geef je bij elke stelling het juiste antwoord. Succes met je voorbereiding, je kunt het!
Oefenvraag om te testen
Probeer deze zelf uit. Tekst: 'Tom ist Schüler an einer Berufsschule. Er mag Mathe nicht, aber Deutsch findet er toll. Jeden Mittwochabend geht er zum Fußballtraining. Seine beste Freundin heißt Lisa.'
Stellingen:
- Tom geht zur middelbare school. → niet (Berufsschule is niet hetzelfde).
- Tom findet Deutsch toll. → wel.
- Tom trainiert Fußball montags. → niet (Mittwoch).
- Toms Freundin heißt Lisa. → wel.
Check je antwoorden: als je ze allemaal goed hebt, ben je er klaar voor! Anders nog even herhalen.