Negatieve getallen vermenigvuldigen en delen

Wiskunde icoon
Wiskunde
HAVOGetallen en bewerkingen

Negatieve getallen vermenigvuldigen en delen

Hallo! Als je al een beetje vertrouwd bent met positieve getallen en hoe je die vermenigvuldigt of deelt, is het tijd om negatieve getallen onder de knie te krijgen. Dit is superbelangrijk voor je havo-wiskunde-examen, want het komt vaak voor in sommen met temperatuur, schulden of coördinaten. Negatieve getallen werken net een tikje anders, maar zodra je het patroon snapt, wordt het een eitje. We duiken erin met simpele regels en voorbeelden die je meteen kunt uitproberen, zodat je ze feilloos kunt toepassen tijdens je toets.

De basisregel: het teken telt

Bij het vermenigvuldigen en delen van negatieve getallen draait alles om het aantal mintekens. Stel je voor dat een minteken een soort 'omdraaiing' is. Als je een even aantal van die omdraaiingen hebt, eindig je weer bij positief. Bij een oneven aantal blijf je negatief. Dat klinkt misschien vaag, maar het is een gouden regel die altijd werkt. Positief maal positief geeft positief, negatief maal positief geeft negatief, en negatief maal negatief geeft weer positief. Hetzelfde geldt voor delen: je deelt gewoon de absolute waarden en past het teken aan op basis van het aantal mintekens.

Laten we dat concreet maken. Neem -3 keer 4. Dat is negatief maal positief, dus oneven aantal mintekens: het resultaat is negatief. Je rekent 3 keer 4 is 12, en zet er een minteken voor: -12. Nu -3 keer -4. Twee mintekens, dus even aantal: positief resultaat. 3 keer 4 is 12, dus +12. Zie je het patroon al? Het minteken van de tweede factor draait het om van negatief naar positief.

Vermenigvuldigen met voorbeelden stap voor stap

Probeer dit eens zelf uit te rekenen voordat je verder leest. Wat is -5 maal 2? Eerst de absolute waarde: 5 maal 2 is 10. Aantal mintekens: één (alleen bij -5), dus oneven. Antwoord: -10. Goed bezig! Nu iets uitdagenders: -7 maal -3. Absolute waarde: 7 maal 3 is 21. Twee mintekens, dus positief: 21.

En als er meer factoren bij komen? Bijvoorbeeld -2 maal 3 maal -4. Tel de mintekens: twee (-2 en -4), dat is even, dus positief resultaat. Eerst 2 maal 3 is 6, dan 6 maal 4 is 24: +24. Of -2 maal -3 maal 5: weer twee mintekens, positief, 2 maal 3 maal 5 is 30: +30. Maar -2 maal 3 maal -5 maal -1: drie mintekens, oneven, dus negatief. 2x3x5x1=30, dus -30. Oefen dit met een rekenmachine om te checken, maar onthoud: teken eerst bepalen, dan de getallen.

Waarom werkt dit zo? Denk aan een temperatuurvoorbeeld. Stel, je daalt 3 graden (-3) en dat gebeurt 2 keer (-3 maal 2). Nee, beter: elke dag daalt het -4 graden, twee dagen (-4 maal 2 = -8, want je daalt verder). Maar twee dalingen van elk -4 graden: je bent twee keer negatief bezig, dus totaal -8. Voor twee negatieve dalingen maal elkaar: het is alsof je de daling 'omdraait' tot een stijging? Nee, beter bij schulden blijven. Schulden zijn negatief. Je leent 5 euro (-5) en dat doe je twee keer: -10. Maar als je twee schulden van -5 aflost, wordt het positief. Anyway, het patroon is wat telt voor je examen.

Delen van negatieve getallen: hetzelfde principe

Delen is eigenlijk vermenigvuldigen omgekeerd, dus dezelfde regels. -12 gedeeld door 3: hoeveel keer past 3 in 12? Vier keer, maar één minteken, dus -4. Probeer -12 gedeeld door -3. Twee mintekens, dus positief: 4. Ja, want -3 maal 4 is -12, en het past perfect.

Nog een: 15 gedeeld door -5. Positief door negatief: één minteken, dus -3. En -20 gedeeld door 4: negatief door positief, -5. Zie je dat het altijd om het aantal mintekens gaat? Zelfs bij breuken zoals -8 gedeeld door 2 maal -3, maar nee, focus op puur delen. Voor het examen: deel altijd eerst de absolute waarden en pas dan het teken aan.

Laten we een paar pittige voorbeelden doen. Wat is -18 gedeeld door -6? Absolute: 18/6=3, twee mintekens: +3. Goed! 24 gedeeld door -8: 24/8=3, één minteken: -3. En -35 gedeeld door 5 maal -7? Eerst delen: -35/5=-7, dan maal -7: twee mintekens (-7 en -7), positief 49. Maar reken het als geheel: het is zoals (-35) / (5 * -7) = -35 / -35 =1, wacht nee, pas op met de volgorde. Beter: bij gemengde bewerkingen volg je de regels stap voor stap, maar teken telt totaal.

Gemengde bewerkingen en hoe je fouten vermijdt

Op je examen komen vaak sommen met plus, min, maal en deel door elkaar. Onthoud de volgorde: eerst haakjes, dan delen en vermenigvuldigen van links naar rechts, dan optellen en aftrekken. Maar tekens check je per bewerking. Neem bijvoorbeeld: -6 maal 2 + (-4) gedeeld door -2. Eerst vermenigvuldigen en delen: -6*2=-12, en -4 / -2 = +2 (twee mintekens). Dan -12 + 2 = -10.

Een veelgemaakte fout is vergeten dat delen door negatief het teken omdraait. Of bij -9 maal -3 gedeeld door 3: eerst -9*-3=+27, dan 27/3=9. Correct. Maar als je het als (-9*-3)/3 doet, zelfde. Oefen met sommen zoals (-8) / 2 * (-3) + 4. Stap 1: -8/2=-4. Stap 2: -4 * -3 = +12 (twee min). Stap 3: 12+4=16.

Nog een valkuil: nul. Negatief maal nul is altijd nul, want alles maal nul is nul. En delen door nul kan niet, maar dat wist je al.

Tips voor je havo-examen en oefenen

Om dit perfect te maken voor je toets, teken je een tabelletje in je hoofd: positief/positief=positief, enzovoort. Maak er een ezelsbruggetje van: 'min min maakt plus, min plus maakt min'. Tel bij elke som het aantal mintekens en beslis: even=plus, oneven=min. Doe dagelijks vijf sommen: begin simpel zoals -4* -5=20, bouw op naar ( -10 / 2 ) * 3 + (-6 / -2 ) = (-5)*3 + 3 = -15 +3= -12.

Dit snap je nu vast helemaal. Oefen met variaties, zoals coördinaten of snelheden (negatief voor richting), en je scoort punten binnen. Succes met wiskunde, je kunt het!