4. Frequentietabel, frequentiepolygoon, histogram

Wiskunde A icoon
Wiskunde A
HAVOD. Statistiek

Frequentietabel, frequentiepolygoon en histogram in wiskunde A

Stel je voor dat je een heleboel metingen hebt verzameld, zoals de lengtes van leerlingen in je klas of de scores op een spelletje. Hoe krijg je daar overzicht in? Dat doe je met een frequentietabel, een frequentiepolygoon of een histogram. Deze tools zijn superhandig voor statistiek in wiskunde A en komen regelmatig voor op het HAVO-eindexamen. Ze helpen je om data visueel te maken en snel patronen te zien. Laten we stap voor stap kijken hoe het werkt, met eenvoudige voorbeelden zodat je het meteen zelf kunt toepassen.

Wat is een frequentieverdeling en frequentietabel?

Wanneer je een reeks waarnemingen hebt, zoals de lengtes van 50 vissen die je hebt gemeten, wil je weten hoe vaak bepaalde waarden voorkomen. Dat overzicht heet een frequentieverdeling. Je zet het netjes in een frequentietabel: in de ene kolom staan de waarnemingsgetallen (bijvoorbeeld klassen van lengtes zoals 10-15 cm, 15-20 cm enzovoort), en in de volgende kolom vul je de frequentie in. De frequentie is simpelweg het aantal keren dat een waarde voorkomt.

Neem bijvoorbeeld lengtemetingen van vissen: uit 30 metingen komen er 5 tussen 10 en 15 cm, 12 tussen 15 en 20 cm, 8 tussen 20 en 25 cm en 5 tussen 25 en 30 cm. De absolute frequentie is dat pure getal, dus 5, 12, 8 en 5. De som van alle absolute frequenties moet altijd het totale aantal waarnemingen zijn, hier 30. Zo'n tabel geeft je meteen een duidelijk beeld van waar de meeste vissen zitten, in dit geval rond de 15-20 cm.

Relatieve frequenties: verhoudingen in procenten

Soms wil je niet alleen absolute aantallen weten, maar ook verhoudingen. Daar komen relatieve frequenties om de hoek kijken. Je deelt de absolute frequentie van een waarde door het totale aantal waarnemingen en vermenigvuldigt met 100 voor procenten. De formule is dus: (deel / geheel) × 100. In ons visvoorbeeld: voor 15-20 cm is dat (12 / 30) × 100 = 40%. Zo zie je dat 40% van de vissen in die klas valt. Relatieve frequenties zijn handig omdat ze onafhankelijk zijn van de grootte van je dataset, perfect om datasets te vergelijken, bijvoorbeeld vissen uit twee verschillende vijvers.

Voeg in je frequentietabel gewoon een extra kolom toe voor relatieve frequenties, en controleer of ze optellen tot 100%. Dat is een veelvoorkomende examenopdracht: vul een tabel aan of bereken de percentages.

De frequentiepolygoon: lijnen die het verhaal vertellen

Een frequentietabel is al top, maar een plaatje zegt meer. De frequentiepolygoon is een lijnengrafiek die je tabel visueel maakt. Je zet de waarnemingsgetallen (of klasse-middenpunten) op de horizontale as en de frequenties op de verticale as. Voor elke klas plot je een stip op de hoogte van de frequentie, precies boven het midden van de klas. Verbind die stippen met rechte lijnen, en voilà: je polygoon.

Bij de vissen zou je stippen hebben op 12,5 cm hoogte 5, op 17,5 cm hoogte 12, enzovoort. De lijn loopt dan op en neer, met een piek rond 17,5 cm. Zo zie je in één oogopslag de verdeling: veel vissen in het midden, minder aan de randen. Op examens moet je vaak een polygoon tekenen vanuit een tabel of een ontbrekende frequentie aflezen uit de grafiek.

Histogram: staafjes voor continue data

Voor continue waarnemingen zoals lengtes of tijden gebruik je een histogram, dat lijkt op een staafdiagram maar met een twist. Op de horizontale as staan de klassen van waarnemingen (bijvoorbeeld 10-15 cm), en op de verticale as de frequenties. Elke klas krijgt een staaf waarvan de hoogte de frequentie is. Belangrijk: de staven raken elkaar, zonder tussenruimte, omdat de klassen aaneengesloten zijn.

In het visvoorbeeld zou je vier staven hebben: breedte 5 cm, hoogtes 5, 12, 8 en 5. De totale breedte beslaat het hele bereik van 10 tot 30 cm. Een histogram toont direct de vorm van de verdeling, symmetrisch, scheef of met meerdere pieken. Relatieve frequenties? Maak dan de hoogtes in procenten. Examenvragen draaien vaak om het tekenen van een histogram, het kiezen van klassen of het vergelijken van twee histogrammen.

Tips voor het examen: oefen met eigen data

Om dit goed onder de knie te krijgen, pak een dataset uit je examenbundel of verzamel zelf data, zoals de reistijden naar school van je klasgenoten. Maak eerst de frequentietabel met absolute en relatieve frequenties, teken dan de polygoon en histogram ernaast. Let op: bij polygoon begin en eindig je met een stip op nul-frequentie voor een gesloten figuur. Vergelijk je grafieken: de polygoon volgt de bovenkant van het histogram. Zo bereid je je perfect voor op vragen als 'Bereken de relatieve frequentie' of 'Teken de polygoon bij deze tabel'.

Met deze uitleg snap je frequentietabellen, polygoon en histogram als je broekzak. Oefen een paar keer, en statistiek wordt een eitje voor je toets of examen!