5. Theorie van weerstand

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
HAVOE. Meten en regelen

Theorie van weerstand in natuurkunde

Stel je een stroomkring voor als een gesloten lus van draden die verbonden zijn met een spanningsbron, zoals een batterij of het stopcontact thuis. Die spanningsbron levert een constante spanning tussen zijn plus- en minpool, en de stroom loopt altijd van plus naar min. In zo'n kring plaats je allerlei componenten, zoals lampjes of weerstanden, die je in een schema ziet als symbooltjes: een weerstand als een rechthoekje met R erin, een lampje als een kruisje in een cirkel, en een schakelaar die open of gesloten kan zijn. Als de schakelaar dicht is, kan de stroom doorstromen; staat hij open, dan stopt alles.

Weerstand is de eigenschap van een materiaal dat de doorgang van elektrische stroom tegenhoudt, een soort rem op de elektronen die door de draden razen. Hoe hoger de weerstand, hoe moeilijker het voor de stroom is om te bewegen. De basiswet hierachter is de wet van Ohm, die zegt dat de spanning U gelijk is aan de weerstand R maal de stroomsterkte I: U = R × I. Hierin meet je R in ohm (Ω), U in volt (V) en I in ampère (A). Stel, je hebt een lampje met een spanning van 12 V en een stroomsterkte van 2 A, dan is de weerstand R = U / I = 6 Ω. Handig om te weten voor je examen, want deze formule komt vaak terug.

Stroomsterkte en lading meten

Stroomsterkte I is de hoeveelheid lading Q die per tijdseenheid t voorbijkomt, dus I = Q / t. Eén ampère betekent dat 1 coulomb lading per seconde stroomt, een coulomb is de eenheid voor elektrische lading. Om I te meten, sluit je een ampèremeter in serie aan, vlak vóór het component, want die heeft zelf geen weerstand en telt precies hoeveel lading erdoorheen gaat. Voor spanning gebruik je een voltmeter, die je parallel over het component aansluit, omdat hij een supergrote weerstand heeft en het energieverschil vóór en ná meet zonder de stroom te verstoren.

Serieschakelingen: alles achter elkaar

In een serieschakeling staan componenten in een rechte lijn achter elkaar, zonder aftakkingen. Handig, maar ook riskant: gaat één lampje kapot, dan dooft de hele kring omdat de stroom nergens meer heen kan. De stroomsterkte I is overal hetzelfde, want de elektronen moeten zich door één smal pad wurmen: I = I₁ = I₂ =.... De spanning verdeelt zich wel over de componenten: U = U₁ + U₂ +..., zodat elk zijn deel krijgt. De totale vervangingsweerstand R_van de kring is gewoon de som: R_v = R₁ + R₂ +.... Voeg meer lampjes toe, en ze branden zwakker omdat de spanning zich opsplitst, perfect om te berekenen voor een toetsvraag.

Parallelschakelingen: meerdere wegen

Schakel je lampjes parallel, dan heb je aftakkingen, en dat verandert alles. Gaat er eentje uit, blijven de anderen branden omdat de stroom via andere paden loopt. Nu is de spanning U overal gelijk: U = U₁ = U₂ =..., maar de stroomsterkte splitst zich: I = I₁ + I₂ +.... De vervangingsweerstand wordt kleiner als je meer takken toevoegt, en bereken je met 1/R_v = 1/R₁ + 1/R₂ +.... Neem twee weerstanden van 10 Ω en 5 Ω parallel: 1/R_v = 1/10 + 1/5 = 0,1 + 0,2 = 0,3, dus R_v = 1/0,3 ≈ 3,33 Ω. Voeg een derde van 10 Ω toe, en 1/R_v = 0,1 + 0,2 + 0,1 = 0,4, R_v = 2,5 Ω, kleiner, snap je?

Dat lijkt misschien gek, maar denk aan wegen en verkeer: de draden zijn wegen, elektronen zijn auto's, en weerstand is hoe smal de weg is. Parallel voeg je een extra baan toe, waardoor het verkeer zich verspreidt en makkelijker doorstroomt, totale weerstand daalt. Een lage R in een tak is een autosnelweg (stroom trekt erheen), een hoge R een zandpaadje (maakt weinig verschil).

Geleidbaarheid als omgekeerde weerstand

Daar sluit geleidbaarheid G perfect bij aan: G = 1/R, in siemens (S). Hoge weerstand betekent lage geleidbaarheid, het materiaal geleidt slecht, en vice versa. Superhandig bij parallelschakelingen, want dan tel je gewoon de G's op voor de totale G_v, en R_v = 1/G_v.

Speciale soorten weerstanden

Een ohmse weerstand is de standaard: zijn waarde blijft constant, ongeacht spanning of stroom, en volgt keurig de wet van Ohm. Maar er zijn ook variabele types. Een schuifweerstand verandert zijn lengte of contactpunt, zodat je de weerstand kunt afstellen, ideaal voor experimenten. Een LDR, of lichtafhankelijke weerstand, reageert op licht: meer licht, lagere weerstand, want fotonen maken elektronen losser. Dan heb je temperatuurgevoelige weerstanden: PTC (positieve temperatuurcoëfficiënt) heeft meer weerstand bij hogere temperatuur, zoals een gloeilamp die warmer wordt en moeilijker stroom doorlaat. NTC (negatieve temperatuurcoëfficiënt) doet het omgekeerd: warmer, lagere weerstand, bijvoorbeeld in thermometers.

Elektriciteit zelf is een vorm van energie die je opwekt via wrijving, natuurkrachten of verbranding, en in een kring met constante spanningsbron blijft de spanning stabiel als de stroom loopt. Met deze theorie snap je precies hoe weerstanden werken in series en parallel, en reken je moeiteloos vervangingsweerstanden uit voor je HAVO-examen. Oefen met metingen en formules, en het zit!