2. Soorten straling en vervalvergelijkingen

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
HAVOA. Beeld- en geluidstechniek

Soorten straling en vervalvergelijkingen

Stel je voor dat je een atoomkern bekijkt onder een supersterke microscoop: diep vanbinnen zitten protonen en neutronen samengeperst in een ongelooflijk kleine ruimte. Soms is die kern niet stabiel en valt hij uiteen, waarbij hij straling uitzendt. Dit radioactieve verval is een kernproces dat we in de natuurkunde van HAVO goed moeten begrijpen, vooral voor je toetsen en het eindexamen. We duiken erin met de verschillende soorten straling, alfa, bèta en gamma, en kijken hoe we dat verval beschrijven met vergelijkingen en wetten. Zo snap je niet alleen wat er gebeurt, maar kun je het ook zelf uitrekenen.

De atoomkern: protonen, neutronen en kernmerken

Elk atoom heeft een kern die bestaat uit protonen en neutronen, de zogenaamde subatomaire deeltjes. Een proton is positief geladen met een lading van +1 en een massa van ongeveer 1 u, terwijl een neutron neutraal is en ook een massa van 1 u heeft. Het aantal protonen bepaalt het atoomnummer, oftewel Z, dat aangeeft welk element het is en waar het in het periodiek systeem staat. Bijvoorbeeld, helium heeft Z = 2, dus twee protonen. Het massagetal A is de som van protonen en neutronen, dus A = Z + N, waarbij N het aantal neutronen is.

In een stabiele kern is het evenwicht tussen protonen en neutronen perfect, maar bij zware kernen kan dat uit balans raken. Dan vervalt de kern om dat recht te trekken, en daarbij komt straling vrij. Die straling kan de kern zelf veranderen, zoals het atoomnummer of massagetal aanpassen. Dat schrijven we op met vervalvergelijkingen, die je zeker moet kunnen opstellen voor het examen.

Alfastraling: heliumkernen op weg

Bij alfastraling stuurt een onstabiele kern een alfa-deeltje de wereld in, en dat alfa-deeltje is niets anders dan een heliumkern: twee protonen en twee neutronen, met symbool ( ^4_2\text{He} ) of gewoon α. Omdat het zo'n zwaar, geladen deeltje is, heeft alfastraling een groot ioniserend vermogen. Dat betekent dat het onderweg door materie heel veel atomen ioniseert, het slaat elektronen uit atomen los, waardoor die energierijk worden en een elektron weg kunnen schieten.

Maar juist door die sterke interactie met materie heeft alfa een klein doordringend vermogen en een geringe dracht: het stopt al na een paar centimeter in lucht of een velletje papier. Denk aan een rookmelder met americium-241, dat alfastraling uitzendt om rookdeeltjes te detecteren. In een vervalvergelijking ziet het er zo uit: neem uranium-238 dat vervalt tot thorium-234 plus alfa:
[ ^{238}{92}\text{U} \rightarrow ^{234}{90}\text{Th} + ^4_2\alpha ]
Merk op dat het massagetal met 4 afneemt en het atoomnummer met 2, want de alfa-kern neemt die mee.

Bètastraling: elektronen in actie

Bètastraling, of β-straling, komt van een neutron in de kern dat verandert in een proton, terwijl het een elektron (β⁻) en een antineutrino uitzendt. Dat elektron is een licht, negatief geladen deeltje rond de kern, maar hier geboren in de kern zelf. Door de lagere massa heeft bèta een gemiddeld ioniserend vermogen, een vrij groot doordringend vermogen en een grotere dracht dan alfa, het kan een paar meter in lucht of een millimetertje aluminium doordringen.

Een voorbeeld is koolstof-14 dat vervalt tot stikstof-14:
[ ^{14}_6\text{C} \rightarrow ^{14}_7\text{N} + \beta^- + \bar{\nu} ]
Hier blijft het massagetal gelijk, maar het atoomnummer stijgt met 1, omdat een neutron proton wordt. Er is ook β⁺-verval, waarbij een proton een neutron wordt en een positron uitzendt, maar dat zie je minder vaak op HAVO-niveau.

Gammastraling: onzichtbare energieflitsen

Gammastraling is heel anders: het zijn fotonen, de deeltjes van elektromagnetische straling met heel hoge energie. Een kern die net alfa of bèta heeft uitgezonden, zit vaak nog in een aangespannen toestand en stuurt gamma (γ) uit om te ontspannen. Gamma heeft een zeer klein ioniserend vermogen, omdat fotonen geen lading hebben en amper interactie hebben met materie. Daardoor is het doordringend vermogen enorm groot en de dracht heel ver, je hebt dikke loden platen nodig om het te stoppen.

In vergelijkingen staat gamma vaak aan de rechterkant zonder massatal of atoomnummer te veranderen, zoals:
[ ^{60}{27}\text{Co}^* \rightarrow ^{60}{27}\text{Co} + \gamma ]
waarbij het sterretje de aangespannen kern aangeeft. Gamma is gevaarlijk juist door die grote dracht, maar handig in medische scans.

Ionisatie, energie en dracht in de praktijk

Waarom stoppen deze stralingen eigenlijk? Dat komt door ionisatie: als straling door materie gaat, botst het met atomen en geeft energie door, minimaal 10 eV per ionisatie (kijk in Binas Tabel 24 voor details). De energie van de straling is E = h·f = h·c/λ, waarbij h de constante van Planck is, f de frequentie en λ de golflengte. Na genoeg ionisaties raakt de straling uitgeput, en dat bepaalt de dracht, de maximale afstand in een bepaald materiaal. Alfa verliest snel energie door veel ionisaties, gamma juist langzaam.

Voor het examen: onthoud dat dracht afhangt van soort straling en materiaal. Alfa blokkeer je met papier, bèta met aluminium, gamma met lood. Praktisch voorbeeld: bereken de dracht van bèta in lucht als je de initiële energie kent, maar meestal onthoud je de volgorde: alfa < bèta < gamma qua doordringend vermogen.

Vervalvergelijkingen opstellen en balanceren

Vervalvergelijkingen zijn als een soort balansoefening: links de moederkern, rechts de dochterkern plus straling. Alles moet kloppen qua massatal (boven) en atoomnummer (onder). Bij alfa: A mindert 4, Z mindert 2. Bij bèta⁻: A gelijk, Z +1. Gamma verandert niks. Oefen met voorbeelden zoals radium-226:
[ ^{226}{88}\text{Ra} \rightarrow ^{222}{86}\text{Rn} + ^4_2\alpha ]
Controleer altijd: 226 = 222 + 4, en 88 = 86 + 2. Zo leer je snel welke straling er bij hoort als je de kernen kent.

De wetten van verval: halveringstijd en berekeningen

Radioactief verval is willekeurig, maar volgt statistische wetten. Het aantal kernen N na tijd t is N = N₀ · (1/2)^{t/T}, waarbij T de halveringstijd is, de tijd waarin de helft vervalt. De activiteit A = λN, met λ = ln(2)/T de vervalconstante. Voor het examen moet je dit kunnen toepassen: stel, een monster heeft halveringstijd 5 dagen en start met 1000 kernen, hoeveel zijn er na 10 dagen over? Dat is 1000 · (1/2)^2 = 250.

Grafisch zie je een exponentiële kromme, nooit nul. Praktisch: in geneeskunde meet je halveringstijd om te zien hoe lang een radio-isotoop in het lichaam blijft. Oefen met grafieken en formules, want dat komt terug in opgaven.

Zo heb je nu een stevig overzicht van straling en verval. Probeer zelf vergelijkingen te schrijven en halveringstijden te berekenen, dat is de beste voorbereiding voor je natuurkundetoets. Succes!