7. Oefenopgave: twee satellieten

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
HAVOD. Aarde en heelal

Middelpuntzoekende kracht bij satellieten: oefenopgave met twee satellieten

Stel je voor dat je in een spaceship zweeft en naar de aarde kijkt terwijl twee satellieten in perfecte cirkels om onze planeet draaien. De een zoemt snel laag bij het oppervlak langs, de ander hangt loom hoog erboven. Hoe werkt dat nou precies? In dit hoofdstuk van natuurkunde voor HAVO, over de aarde en het heelal, duiken we in de middelpuntzoekende kracht die satellieten in hun baan houdt. Dit is superbelangrijk voor je examen, want zulke opgaven testen of je de zwaartekracht en cirkelbeweging snapt. We pakken een typische oefenopgave met twee satellieten en lossen die stap voor stap op, zodat je ziet hoe je het zelf aanpakt. Zo haal je straks moeiteloos die voldoende binnen.

Wat houdt een satelliet in zijn baan?

Een satelliet is niks anders dan een hemellichaam, een object in de ruimte, zoals een kunstmatige maan, dat om de aarde draait. Net als de echte maan blijft hij in een cirkelbaan omdat er een middelpuntzoekende kracht op werkt. Die kracht trekt het ding constant naar het middelpunt van de cirkel, zodat het niet in een rechte lijn wegvliegt. Voor een satelliet is die middelpuntzoekende kracht precies gelijk aan de zwaartekracht, of gravitatiekracht, tussen de satelliet en de aarde. De formule voor zwaartekracht ken je wel: ( F_z = G \frac{M m}{r^2} ), waarbij ( M ) de massa van de aarde is, ( m ) die van de satelliet, ( r ) de afstand van het centrum van de aarde tot de satelliet, en ( G ) de gravitatieconstante uit Binas tabel 7A.

In een eenparige cirkelbeweging geldt voor de middelpuntzoekende kracht ( F_{mpz} = \frac{m v^2}{r} ), met ( v ) de baansnelheid. Omdat ( F_{mpz} = F_z ), kun je die gelijkzetten: ( \frac{m v^2}{r} = G \frac{M m}{r^2} ). De ( m )'s en een ( r ) vallen weg, dus ( v^2 = \frac{G M}{r} ). Handig hè? De baansnelheid hangt dus alleen af van de straal ( r ) van de baan, hoe hoger de satelliet, hoe langzamer hij moet gaan om in zijn cirkel te blijven.

De omlooptijd ( T ), de tijd voor één rondje, bereken je met de baansnelheid: ( v = \frac{2\pi r}{T} ), dus ( T = \frac{2\pi r}{v} ). Als je dat invult, krijg je ( T = 2\pi \sqrt{\frac{r^3}{G M}} ). Dit is eigenlijk Keplers derde wet in vermomming: voor banen om dezelfde centrale massa geldt ( T^2 \propto r^3 ). Perfect voor vergelijkingen tussen satellieten! Een geostationaire satelliet, die altijd boven hetzelfde punt op de evenaar hangt, heeft een omlooptijd van precies één etmaal, dus 24 uur. Die zit op een flinke hoogte, rond de 36.000 km boven het oppervlak.

Normaalkracht komt hier niet direct om de hoek kijken, maar onthoud: dat is een kracht loodrecht op de beweging, zoals bij een auto in een bocht. Bij satellieten is het de zwaartekracht die die rol speelt.

Oefenopgave: twee satellieten vergelijken

Laten we nou een echte examenoefenopgave doen met twee satellieten, A en B, die beide in cirkelbanen om de aarde draaien. De aarde heeft een straal ( R = 6400 ) km (zoals in Binas), en massa ( M ) vind je terug in de tabellen. Satelliet A draait op een hoogte van 300 km boven het oppervlak, dus haar baanstraal is ( r_A = R + 300 = 6700 ) km. Satelliet B zit op 35.800 km hoogte, typisch voor geostationair, met ( r_B = R + 35.800 = 42.200 ) km. De opgave luidt: bereken de verhouding van de omlooptijden ( \frac{T_A}{T_B} ), en leg uit waarom B langzamer beweegt. Bonus: wat is de baansnelheid van A ongeveer?

Eerst de omlooptijdverhouding. Uit de formule ( T = 2\pi \sqrt{\frac{r^3}{G M}} ) zie je dat ( T \propto \sqrt{r^3} = r^{3/2} ), dus ( \frac{T_A}{T_B} = \left( \frac{r_A}{r_B} \right)^{3/2} ). Reken uit: ( \frac{r_A}{r_B} = \frac{6700}{42200} \approx 0,159 ). Dan ( (0,159)^{3/2} = (0,159)^{1,5} ). Eerst ( 0,159^1 = 0,159 ), kwadraatwortel van 0,159 is ongeveer 0,399, dus 0,159 × 0,399 ≈ 0,063. Dus ( T_A ) is zo'n 6% van ( T_B )! A doet er dus veel minder over, rond de 90 minuten per omloop, terwijl B er 24 uur over doet. Dat snap je: hoger weg, zwakkere zwaartekracht, dus minder 'trek' om snelheid te houden, en een grotere baan vraagt ook een langzamer tempo.

Voor de baansnelheid van A: ( v_A = \sqrt{\frac{G M}{r_A}} ). Uit Binas weet je ( G M ) voor aarde is ongeveer ( 4,0 \times 10^{14} ) m³/s² (check tabel 7A). ( r_A = 6,7 \times 10^6 ) m. Dus ( v_A = \sqrt{\frac{4,0 \times 10^{14}}{6,7 \times 10^6}} = \sqrt{6,0 \times 10^7} \approx \sqrt{60.000.000} = 7740 ) m/s, ofwel 7,7 km/s. Dat is razendsnel, bijna 28.000 km/u!

Waarom dit examenproof is en hoe je het onthoudt

Zo'n opgave toetst of je formules koppelt: zwaartekracht als middelpuntzoekende kracht, en Keplers wetten voor verhoudingen. In het examen krijg je vaak verhoudingen zonder getallen, dus onthoud ( T \propto r^{3/2} ) en ( v \propto 1/\sqrt{r} ). Praktisch voorbeeld: GPS-satellieten zitten op zo'n 20.000 km hoogte en draaien synchroon met de aarde-rotatie. Militaire of communicatie-satellieten kiezen hun hoogte bewust voor de juiste omlooptijd. Oefen dit door zelf hoogtes te wisselen: wat als A op nul hoogte zat? (Onmogelijk door atmosfeer, maar theoretisch ( T ) korter.)

Probeer het zelf: neem ( r_B = 10 r_A ), wat is dan ( T_B / T_A )? Antwoord: ( 10^{3/2} = 31,6 ), dus 32 keer langer. Snap je het patroon? Met deze uitleg en rekenstappen vlieg je door zulke vragen. Blijf oefenen met Binas-waarden, en je bent klaar voor het examen. Succes, je kunt het!