10. Oefenopgave: een massaspectrometer

Natuurkunde icoon
Natuurkunde
HAVOA. Beeld- en geluidstechniek

Massaspectrometer: hoe werkt dit apparaat in de natuurkunde?

Stel je voor dat je een detective bent die moet uitzoeken welke 'verdachten' er in een mengsel zitten, maar dan op atoomniveau. Een massaspectrometer doet precies dat: het scheidt ionen, geladen atomen of moleculen, op basis van hun massa. Dit is superhandig voor chemici en natuurkundigen om te weten welke stoffen er precies in een sample zitten, zoals bij het analyseren van gesteenten van Mars of het opsporen van doping in sport. Voor jouw HAVO-examen natuurkunde komt dit voor in het hoofdstuk over beeld- en geluidstechniek, maar het principe draait om krachten op geladen deeltjes in magnetische velden. Laten we stap voor stap duiken in hoe het werkt, zodat je het niet alleen snapt, maar ook direct kunt toepassen op oefenopgaven.

Eerst de basis: atomen en hun bouwstenen begrijpen

Voordat we bij de massaspectrometer komen, moeten we even terug naar de atoomkern, want dat is het hart van het verhaal. Een atoom bestaat uit een piepkleine kern in het midden, de nucleus, omringd door elektronen. In die kern zitten protonen, die positief geladen zijn, en neutronen, die neutraal zijn. Het aantal protonen bepaalt het atoomnummer, oftewel het atoomgetal, dat is wat aangeeft welk element het is. Waterstof heeft er één, helium twee, en zo verder. Het massagetal is het totaal aantal protonen plus neutronen, en dat maakt het atoom zwaar of licht.

Nu komen isotopen in beeld: dat zijn atomen van hetzelfde element (dus hetzelfde atoomnummer), maar met een verschillend aantal neutronen, en dus een ander massagetal. Denk aan koolstof-12 (6 protonen + 6 neutronen) en koolstof-14 (6 protonen + 8 neutronen). Die laatste is radioactief en vervalt met een halveringstijd, de tijd waarin de helft van de kernen is afgebroken. De formule daarvoor is N(t) = N₀ × (½)^(t / t½), waarbij N(t) het aantal kernen na tijd t is, N₀ de beginhoeveelheid en t½ de halveringstijd. In een massaspectrometer scheid je zulke isotopen juist omdat hun massa verschilt, en dat is cruciaal voor examenopgaven over uranium-235 en uranium-238, bijvoorbeeld.

Het principe van de massaspectrometer: ionen, krachten en banen

Een massaspectrometer is een slim apparaat dat atomen eerst ioniseert, dat betekent dat het elektronen eraf slaat, zodat je positieve ionen overhoudt met lading +e (de elementaire lading). Die ionen worden dan versneld door een elektrisch veld, zodat ze allemaal dezelfde snelheid krijgen. Daarna schieten ze een magnetisch veld in, en hier komt de Lorentzkracht om de hoek kijken.

De Lorentzkracht is de kracht die een geladen deeltje ondervindt als het beweegt in een magnetisch veld. De formule is F = B × I × L voor een stroomdraad, maar voor een enkel geladen deeltje is het F = q × v × B × sinθ, waarbij q de lading is, v de snelheid, B de sterkte van het magneetveld en θ de hoek. Voor ionen die loodrecht op het veld vliegen, buigt hun baan om in een cirkel. De radius van die cirkelbaan hangt af van de massa m: r = (m × v) / (q × B). Omdat alle ionen dezelfde v en q hebben (na versnelling), zal een zwaarder ion een grotere radius hebben, het wordt minder afgebogen door het magneetveld.

De sterkte van het magneetveld B bepaalt hoe scherp de bocht is: sterker veld betekent kleinere radius. Permanente magneten hebben dat door hun materiaal en grootte, maar in spectrometers gebruik je vaak elektromagneten, waar meer stroom door de spoelen een sterker veld geeft. Op een detectiescherm of met een detector meet je waar de ionen neerkomen, en zo krijg je een spectrum: lijnen op plekken die horen bij verschillende massa's. Dat is het massaspectrum, perfect om isotopen te onderscheiden.

Stap voor stap: hoe analyseer je met een massaspectrometer?

Laten we het praktisch maken, alsof je een opgave voor je neus hebt. Stel, je hebt een sample met chloorionen: chloor-35 (massagetal 35) en chloor-37 (massagetal 37). Eerst ioniseren: Cl → Cl⁺ + e⁻. Dan versnellen met een spanningsverschil U, zodat kinetische energie ½mv² = qU wordt, dus v = √(2qU/m). Maar in veel opgaven gaan we ervan uit dat v gelijk is voor allemaal.

Vervolgens in een uniform magneetveld B loodrecht op de baan. De centripetale kracht voor de cirkelbaan is mv²/r = qvB, dus r = mv / (qB). Voor lichtere ionen (kleinere m) is r kleiner, dus ze slaan dichterbij de ingang neer. In een opgave krijg je vaak B, q (altijd e), v of U, en r voor één isotop, en je moet m berekenen of verhoudingen vinden.

Bijvoorbeeld: twee ionen met r1 = 0,05 m en r2 = 0,052 m, bij B = 0,4 T en v = 5,0 × 10⁶ m/s voor beide. Dan m1 / m2 = r1 / r2, want q en v gelijk zijn. Dus m1 : m2 = 50 : 52, wat past bij neon-20 en neon-22 isotopen. Zo'n berekening komt vaak voor, oefen met variaties waar je U moet omzetten in v.

Oefenopgaven uitwerken: typische examenvragen

Neem een klassieke vraag: in een massaspectrometer worden baryonionen versneld met 4,0 kV en gaan dan een veld van 0,20 T in. De barium-137 ionen hebben r = 0,12 m. Bereken het massagetal. Eerst v uit ½mv² = eU, maar m = massagetal × 1,67 × 10⁻²⁷ kg. Je lost op via r = mv/(eB), met v = √(2eU/m). Het wordt een vergelijking, maar vaak geef je aan dat zwaardere isotopen grotere r hebben.

Of: vergelijk met het aardmagnetisch veld, dat een kompas laat wijzen naar de magnetische zuidpool bij de geografische noordpool, een trucje van de natuur. Lorentzkracht werkt hetzelfde: geladen deeltjes in het aardveld krijgen een afbuiging, net als in de aurora borealis. In opgaven moet je soms berekenen hoeveel sterker het lab-veld is dan B_aarde ≈ 5 × 10⁻⁵ T.

Nog een: isotopen scheiding voor uraniumverrijking. U-235 en U-238 hebben massa's 235 en 238 u. De r-verhouding is √(235/238) nee, wacht: als v gelijk, r ∝ m, dus r235 / r238 = 235/238 ≈ 0,987. Klein verschil, maar meetbaar, en cruciaal voor kernenergie.

Samenvatting: kernpunten voor je examen

Een massaspectrometer ioniseert atomen tot ionen met gelijke lading en snelheid, laat ze door een magneetveld gaan waar Lorentzkracht de baan buigt met r = mv/(qB), en scheidt zo op massa, perfect voor isotopen met zelfde atoomnummer maar ander massagetal. Onthoud de formules, de rol van B en hoe halveringstijd radio-isotopen linkt. Oefen met r-verhoudingen en kinetische energie-omzetting, dan scoor je punten. Dit snap je nu, dus volgende toets een eitje!