Présent van être, avoir, aller en faire: de onregelmatige werkwoorden die je móét kennen
Hé HAVO-scholier, als je Frans leert, loop je al snel tegen onregelmatige werkwoorden aan. Die vier grote boys, être, avoir, aller en faire, zijn superbelangrijk omdat ze overal opduiken in zinnen, vooral bij je eindexamen. Ze vormen de basis voor andere tijden zoals het futur proche of het passé composé, en ze hebben geen vaste uitgangen zoals -er, -ir of -re werkwoorden. Gelukkig zijn ze beperkt en kun je ze met een paar ezelsbruggetjes goed stampen. In deze uitleg gaan we ze stap voor stap doornemen, met voorbeelden uit het echte leven, zodat je ze niet alleen onthoudt, maar ook meteen kunt gebruiken in toetsen. Laten we beginnen!
Être: het werkwoord voor 'zijn' dat alles bij elkaar houdt
Être is het Franse 'zijn' en het is hartstikke onregelmatig, maar eenmaal geleerd, gebruik je het non-stop. Denk aan beschrijvingen van mensen of toestanden, zoals 'ik ben moe' of in het passief: 'het huis is gebouwd'. De volledige vervoeging in de présent is: je suis (ik ben), tu es (jij bent), il/elle/on est (hij/zij/het/een is), nous sommes (wij zijn), vous êtes (jij/jullie bent/zijn) en ils/elles sont (zij zijn). Kijk hoe uniek die vormen zijn, geen -e op het eind zoals bij reguliere werkwoorden.
Een handig ezelsbruggetje voor de eerste drie: 'Suis l'escalier est', alsof je zegt 'volg de trap is', wat je visualiseert als een trap met die woorden erop. Voor de meervoudsvormen: 'sommez les sont', denk aan 'sommeren les zont' als een soort sommen maken met 'les zonten'. Probeer het eens in een zin: 'Je suis content parce que nous sommes en vacances' (ik ben blij omdat wij op vakantie zijn). Op examens testen ze dit vaak met vulzinnen of door te vragen naar het gezegde 'être en train de', zoals 'nous sommes en train de manger' (wij zijn aan het eten). Oefen door jezelf te beschrijven: 'Tu es grand et intelligent', zo zit het erin vast.
Avoir: 'hebben' als basis voor het verleden
Avoir betekent 'hebben' en is cruciaal omdat het het hulpwerkwoord is voor het passé composé, zoals 'j'ai mangé' (ik heb gegeten). Zonder avoir kun je geen verleden tijd maken, dus dit móét je paraat hebben. De présent-vervoeging gaat zo: j'ai (ik heb), tu as (jij hebt), il/elle/on a (hij/zij/het/een heeft), nous avons (wij hebben), vous avez (jij/jullie hebt/hebben) en ils/elles ont (zij hebben). Let op die korte vormen aan het begin en 'ont' aan het eind, totaal anders dan reguliere werkwoorden.
Ezelsbruggetje: 'Ai as a avion avez ont', stel je een vliegtuig voor (avion) dat 'ai, as, a' roept terwijl het 'avez ont' landt. Superbeeldend, toch? In de praktijk zeg je dingen als 'J'ai un chat noir' (ik heb een zwarte kat) of 'Vous avez faim?' (hebben jullie honger?). Examenvragen draaien vaak om bezit of leeftijd: 'Elle a seize ans' (zij is zestien). Maak het persoonlijk: schrijf op wat jij hebt, zoals 'Nous avons deux vélos', en herhaal het hardop. Zo voorkom je fouten zoals 'j'ai' verwarren met 'je ai', wat nooit goed is.
Aller: 'gaan' voor beweging en toekomstplannen
Aller is 'gaan' en perfect voor bewegingen of het futur proche met een infinitief, zoals 'je vais manger' (ik ga eten, oftewel ik zal eten). Het is onregelmatig en lijkt een beetje op avoir, maar dan met 'all'. Vervoeg het als: je vais (ik ga), tu vas (jij gaat), il/elle/on va (hij/zij/het/een gaat), nous allons (wij gaan), vous allez (jij/jullie gaat/gaan) en ils/elles vont (zij gaan). Die 'v' in het begin en 'ont' zonder 'r' maken het speciaal.
Handig trucje: 'Vais vas va volants vont', beeld je vliegende ballonnen (volants) in die 'vais, vas, va' roepen en 'vont' wegzweven. Gebruik het dagelijks: 'Tu vas à l'école en vélo?' (ga je naar school met de fiets?) of voor plannen: 'Nous allons regarder un film ce soir' (wij gaan vanavond een film kijken). Op toetsen komt aller vaak in vragen over intenties of locaties, zoals 'Ils vont en France'. Test jezelf: vervang 'ik zal' door 'je vais' in Nederlandse zinnen, zoals 'Je vais étudier pour l'examen' (ik ga studeren voor het examen). Zo wordt het automatisch.
Faire: 'doen' of 'maken' in allerlei situaties
Faire is een alleskunner: 'doen', 'maken', maar ook voor sporten ('faire du foot'), weer ('il fait beau') of maaltijden ('faire les courses'). Onregelmatig natuurlijk, met vormen als: je fais (ik doe/maak), tu fais (jij doet/maakt), il/elle/on fait (hij/zij/het/een doet/maakt), nous faisons (wij doen/maken), vous faites (jij/jullie doet/maakt) en ils/elles font (zij doen/maken). Herken die 'fais/fait' en 'font'?
Ezelsbruggetje: 'Fais fait font comme un fontaine', denk aan een fontein (fontaine) die 'fais, fait, font' spuit, met 'faisons' en 'faites' als de straal. Voorbeelden maken het levendig: 'Je fais mes devoirs tous les soirs' (ik maak mijn huiswerk elke avond) of 'Il fait du sport' (hij doet aan sport). Weerzin: 'Il fait froid aujourd'hui' (het is koud vandaag). Examens lovken faire met idiomen, zoals 'faire la fête' (feesten). Oefen door je dag te beschrijven: 'Nous faisons du français et vous faites du vélo'. Veelgemaakte fout: 'je font', nee, altijd 'je fais' onthouden.
Tips om ze te stampen en examenproof te maken
Nu je de vervoegingen kent, combineer ze voor extra power: met aller voor toekomst ('Je vais avoir un examen'), avoir voor perfectum ('J'ai été malade'), être voor beschrijvingen en faire voor activiteiten. Maak een verhaal: 'Je suis fatigué parce que j'ai fait du sport et je vais aller dormir' (ik ben moe omdat ik sport heb gedaan en ga slapen). Schrijf elke dag vijf zinnen per werkwoord, zeg ze na en test met dictees. Veel scholieren struikelen over 'on'-vormen (est, a, va, fait), dus herhaal die extra. Op je HAVO-examen komen ze in lezen, schrijven en spreken voor, dus beheers ze en je scoort makkelijk punten. Succes, je kunt het! Oefen nu zelf een paar zinnen en check of ze kloppen.