1. Cel, weefsel, orgaan en orgaanstelsel

Biologie icoon
Biologie
HAVOO. Orgaan- en organismeniveau

Cel, weefsel, orgaan en orgaanstelsel

Stel je voor: alles in een levend organisme begint bij de kleinste bouwsteen, de cel. Cellen met dezelfde vorm en functie komen samen tot een weefsel, zoals spierweefsel of zenuwweefsel. Meerdere weefsels vormen een orgaan, bijvoorbeeld het hart, en een groep samenwerkende organen maakt een orgaanstelsel, zoals de bloedsomloop. In dit hoofdstuk duiken we erin met het hart als perfect voorbeeld. Het hart is een krachtig orgaan van spierweefsel dat non-stop pompt om je lichaam van zuurstof en voedingsstoffen te voorzien. Laten we stap voor stap kijken hoe dat werkt, zodat je dit moeiteloos kunt uitleggen op je examen.

Hoe pompt het hart het bloed rond?

Het hart zit midden in de bloedsomloop en fungeert als een pomp. Door zich afwisselend samen te trekken en te ontspannen, duwt het bloed door je hele lichaam. Die beweging noemen we de hartslag. Tijdens sport of inspanning hebben je spieren meer bloed nodig met zuurstof en glucose, dus versnelt het hart zijn pompen. De snelheid waarmee dat gebeurt, drukken we uit in de hartslagfrequentie, oftewel het aantal slagen per minuut.

In rust klopt je hart tussen de 60 en 100 keer per minuut. Hoe meer activiteit, hoe hoger de frequentie, want dan moet er extra bloed rondcirculeren. De hoeveelheid bloed per slag, het slagvolume, speelt ook mee. In rust is dat zo'n 60 milliliter per hartslag. Vermenigvuldig dat met je hartslagfrequentie en je krijgt het hartminuutvolume: de totale hoeveelheid bloed die je hart in een minuut rondpompt. Bij een rusthartslag van 75 slagen en 60 ml per slag komt dat neer op 4,5 liter per minuut. Bij topatleten tijdens zware inspanning kan dat oplopen tot wel 40 liter, ongelooflijk hoe efficiënt een goed getraind hart werkt!

De opbouw van het hart

Het hart heeft vier holtes: twee bovenin, de boezems (rechter- en linkerboezem), en twee onderin, de kamers (rechter- en linkerkamer). Let op met links en rechts op een tekening: vanaf de voorkant lijkt de linkerkamer rechts te zitten, dus het is omgekeerd. De boezems vullen zich met bloed uit het lichaam en geven het door aan de kamers, die het dan wegpompen. Tussen boezems en kamers zitten kleppen die voorkomen dat het bloed terugstroomt, een slim mechanisme voor een eenrichtingsverkeer.

De bloedroute door het hart

Laten we het bloed volgen. Zuurstofarm bloed, vol met koolstofdioxide uit je cellen, komt via de onderste holle ader de rechterboezem binnen. Via een klep gaat het naar de rechterkamer, die samentrekt en het bloed in de longslagader pompt. Grappig detail: dit is de enige slagader met zuurstofarm bloed, want het gaat naar de longen voor een opfrisbeurt.

In de longen wisselt het bloed gassen uit: koolstofdioxide eruit (dat je uitademt), zuurstof erin (uit de ingeademde lucht). Nu is het zuurstofrijk en stroomt via de longaders naar de linkerboezem. Van daaruit door een klep naar de linkerkamer, die het met kracht via de aortaklep in de aorta duwt. Zo bereikt het bloed je hele lichaam. Cellen nemen de zuurstof op, maken koolstofdioxide en sturen het zuurstofarme bloed via aders terug naar het hart. De cyclus herhaalt zich continu, een kleine bloedsomloop voor de longen, een grote voor de rest van je lijf.

Hoe stuurt het hart zichzelf aan?

Die samentrekkingen komen niet uit het niets. Een elektrische prikkel zet de boezemspiercellen aan het werk, beginnend in de sinusknoop. Die knoop is de pacemaker van je hart en bepaalt de frequentie. De prikkel verspreidt zich over de boezems, zodat die samentrekken en bloed naar de kamers duwen.

Daarna bereikt de prikkel de AV-knoop (atrioventriculair, tussen boezems en kamers). Hier vertraagt hij even, zodat de kamers goed vol kunnen lopen. Van de AV-knoop gaat het via de bundel van His naar de rechter- en linkerbundeltak, die uitwaaieren in Purkinjvezels. Die zorgen dat de kamers synchroon samentrekken. De samentrekfase van de kamers heet systole, de ontspanningsfase diastole, waarin ze weer bijvullen.

Bloeddruk: de druk op je vaten

Bloeddruk is de kracht waarmee bloed tegen de wanden van je bloedvaten drukt. Hoogst tijdens de systole, dus dat is de bovendruk of systolische druk. Tijdens de diastole meet je de onderdruk of diastolische druk.

Je meet het met een manchet om je bovenarm, op hartniveau om zwaartekrachtseffecten te minimaliseren. Het manchet blaast op tot de bovenarmslagader dichtknijpt en geen bloed doorlaat. Dan laat je langzaam lucht weglopen: het eerste klopgeluid is de systolische druk, het laatste de diastolische. Eenheden zijn millimeters kwik (mmHg). Normaal: bovendruk 120-140 mmHg, onderdruk 65-85 mmHg.

Met de jaren stijgt de druk vaak, omdat vaten stugger worden en bloed minder soepel stroomt. Overgewicht, stress of roken maken het erger. Hoge bloeddruk is een risicofactor voor hart- en vaatziekten, na kanker de tweede doodsoorzaak in Nederland. Hou je bloeddruk dus in de gaten, het zegt veel over je gezondheid!

Zo zie je hoe een cel (spiercel), weefsel (hartspier), orgaan (hart) en orgaanstelsel (bloedsomloop) perfect samenwerken. Oefen deze route en termen, en je rockt je toetsvragen hierover.